ECLI:NL:CRVB:2005:AS4055
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Eiser, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op basis van ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Hij stelde dat hij gezondheidsklachten had door arrestaties van familieleden, vermissing van zijn broer, vluchtelingenervaringen met geweld en ongeregeldheden tijdens de couppoging van Westerling.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser persoonlijk getroffen was door oorlogsgeweld zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. De Raad oordeelde dat algemene oorlogsomstandigheden niet voldoende zijn voor erkenning en dat de door eiser genoemde gebeurtenissen onvoldoende bewijs boden voor directe confrontatie met levensbedreigend geweld.
De Raad concludeerde dat de couppoging van Westerling na de soevereiniteitsoverdracht viel en dus buiten de werkingssfeer van de Wet viel. Ook werd vastgesteld dat eiser geen getuige was van de vermissing van zijn broer. De Raad verwierp het beroep en liet het bestreden besluit in stand, zonder proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt gehandhaafd.