ECLI:NL:CRVB:2005:AS4530

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1397 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen van besluit vaststelling dagloon WAO

Appellant verzocht om terug te komen op een eerder ambtshalve genomen besluit uit 1995 waarbij zijn dagloon voor de WAO-uitkering was vastgesteld. Dit verzoek werd door gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening konden rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Tijdens de zitting verschenen partijen niet, maar de Raad heeft de zaak inhoudelijk beoordeeld.

De Raad oordeelde dat het bestuursorgaan terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek af te wijzen zonder nader onderzoek, omdat appellant niet voldeed aan de vereisten van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Er was geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden die het terugkomen op het eerdere besluit konden rechtvaardigen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het eerdere oordeel en wees het hoger beroep af. Tevens werd geoordeeld dat geen gronden aanwezig waren voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd op 20 januari 2005 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot vaststelling van het dagloon wordt afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1397 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuw Algemene Bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 2 april 2002 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 6 april 2001, waarbij gedaagde het namens appellant gedane verzoek om terug te komen van het besluit van 2 mei 1995 heeft afgewezen, ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 4 februari 2003, registratienummer 02/1197, het namens appellant tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift van 7 mei 2003 aangegeven gronden tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft bij schrijven van 23 juni 2003 van verweer gediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 december 2004, waar partijen -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 2 mei 1995 heeft gedaagde appellant uitkeringen toegekend ingevolge de Algemene arbeidsongeschikt- heidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarbij zijn mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100% en zijn dagloon is vastgesteld op f 30,94. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat gedaagde van dit eerdere besluit terugkomt voor wat betreft de vaststelling van het dagloon.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuurs- orgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Naar het oordeel van de Raad heeft appellant bij zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin aangevoerd. De Raad verwijst daarbij tevens naar de ter zitting bij de rechtbank gedane mededeling van de gemachtigde van appellant dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, die het gedane verzoek kunnen schragen.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar de besluit van 2 mei 1995. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2005.
(get.) G. van der Wiel
(get.) R.E. Lysen