ECLI:NL:CRVB:2005:AS4552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Arbeidsverhouding blijft bestaan ondanks voortzetting werkzaamheden als zelfstandige
De zaak betreft de vraag of na 1 november 1997 tussen [naam werknemer] en gedaagde nog sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, terwijl de werknemer vanaf die datum werkzaamheden als zelfstandige verrichtte. De rechtbank Haarlem had geoordeeld dat door inschrijving bij de Kamer van Koophandel, het afsluiten van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en het hebben van meerdere opdrachtgevers sprake was van zelfstandigheid, waardoor geen dienstbetrekking meer bestond.
De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), stelde in hoger beroep dat de verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten niet wordt beïnvloed door zelfstandig ondernemerschap en dat de arbeidsrelatie in essentie niet is gewijzigd. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit standpunt en oordeelde dat slechts bij ondubbelzinnige aanwijzingen voor het ontbreken van een gezagsverhouding na die datum kan worden aangenomen dat de dienstbetrekking is geëindigd.
De Raad concludeerde dat de oprichting van een eenmanszaak en de intentie als zelfstandige te werken niet automatisch betekent dat de arbeidsrelatie is beëindigd. De werkzaamheden bleven in wezen hetzelfde en onder gezag van gedaagde verricht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het vonnis en bevestigt dat de arbeidsverhouding ondanks zelfstandige werkzaamheden blijft bestaan.