Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4570

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/6040 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning WW-uitkering en vergoeding wettelijke rente na vernietiging besluit UWV

Appellant werd bij besluit van 23 oktober 2001 de WW-uitkering ontzegd met ingang van 1 augustus 2001. Het bezwaar tegen dit besluit werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank Leeuwarden bevestigde dit. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft het UWV uiteindelijk besloten het oorspronkelijke besluit niet langer te handhaven en een nieuwe beslissing genomen waarbij de WW-uitkering alsnog werd toegekend met ingang van 1 januari 2002.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van de uitkering, met ingang van 1 december 2001, en tot betaling van de proceskosten en het griffierecht van appellant.

Partijen stemden in met het achterwege laten van een mondelinge behandeling. De uitspraak werd gedaan door mr. M.A. Hoogeveen, met griffier R.B.E. van Nimwegen, op 26 januari 2005. De Raad verwees voor de renteberekening naar een eerdere uitspraak uit 1995.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

02/6040 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 23 oktober 2001 is aan appellant met ingang van 1 augustus 2001 uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontzegd.
Bij besluit van 11 april 2002, hierna het bestreden besluit, heeft gedaagde het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. A.A. Slager, werkzaam bij het SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Bij schrijven van 31 augustus 2004 heeft de Raad aan gedaagde nadere vragen gesteld.
Bij brief van 12 oktober 2004 heeft gedaagde de Raad meegedeeld het besluit van 11 april 2002 niet langer te handhaven. Gedaagde heeft op 26 oktober 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarbij het bezwaar alsnog gegrond is verklaard en aan appellant met ingang van 1 januari 2002 een WW-uitkering toegekend.
Bij schrijven van 2 november 2004 heeft mr. Slager de Raad meegedeeld dat met de nieuwe beslissing op bezwaar aan de wensen van appellant is voldaan in verband waarmee hij heeft verzocht gedaagde in de proceskosten te veroordelen en om restitutie van het griffierecht alsmede betaling van de wettelijke rente.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Bij voormeld schrijven van 12 oktober 2004 heeft gedaagde te kennen gegeven zijn oorspronkelijke besluit niet langer te handhaven. De Raad zal derhalve dit besluit vernietigen evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten.
Appellants verzoek om vergoeding van de wettelijke rente kan worden ingewilligd, in dier voege dat het Uwv de wettelijke rente dient te vergoeden over de nabetaling van de uitkering en dat de ingangsdatum van de rente wordt gesteld op
1 december 2001. Voor de verdere berekening wordt verwezen naar ’s Raads uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB 1495, RSV 1996/182 en JB 95/314¹.
De Raad ziet aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg tot een bedrag van € 322,00 en voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep van € 322,00, totaal derhalve € 644,00.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 644,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.