Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4601

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2256 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenAlgemene wet bestuursrecht Art. 8:75Wet werkloosheidsverzekering (WW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen

Appellant had zijn WW-uitkering met ingang van 29 maart 2001 met 20% gedurende 16 weken verlaagd gekregen omdat hij onvoldoende had getracht passende arbeid te verkrijgen. Hij stelde in hoger beroep dat hij wel inspanningen had verricht door zich bij uitzendbureaus in te schrijven en bij mensen te informeren, maar niet had gesolliciteerd vanwege een gebrek aan vacatures en fysieke en psychische beperkingen.

De Raad overwoog dat appellant zelf had verklaard na 5 augustus 2000 niet daadwerkelijk te hebben gesolliciteerd. Gezien het niveau van het werk waarvoor hij zich beschikbaar stelde, waren er geen aanwijzingen dat er geen vacatures waren. De door appellant genoemde beperkingen deden hier niet aan af. Door geen sollicitaties te versturen, had appellant elke mogelijkheid om werk te verkrijgen uitgesloten.

De Raad kon de overige inspanningen zoals informeren en inschrijven bij uitzendbureaus niet honoreren omdat daarvoor geen bewijs was overgelegd. Het hoger beroep kon daarom niet slagen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd. Er waren geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De verlaging van de WW-uitkering met 20% gedurende 16 weken wordt bevestigd wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/2256 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 24 maart 2003 onder nr. 02/1848 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 1 december 2004, waar beide partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij besluit op bezwaar van 4 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van
15 november 2001, waarbij appellants uitkering krachtens de WW bij wijze van maatregel met ingang van 29 maart 2001
met 20% gedurende 16 weken is verlaagd. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat hij bij diverse mensen heeft geïnformeerd naar werk en dat hij zich bij diverse uitzendbureaus heeft laten inschrijven. Dat hij niet heeft gesolliciteerd is derhalve veroorzaakt door het feit dat er in die periode eenvoudigweg onvoldoende vacatures voorhanden waren. Door psychische en fysieke beperkingen was het voor appellant niet mogelijk om een voor hem passende aspirant-werkgever te vinden.
De Raad overweegt als volgt.
Appellant heeft blijkens de op 20 april 2001 afgelegde en door hem ondertekende verklaring ten overstaan van gedaagde verklaard na 5 augustus 2000 niet daadwerkelijk te hebben gesolliciteerd naar vacatures. De Raad ziet gelet op de aard en het niveau van het werk waarvoor appellant zich blijkens voornoemde verklaring beschikbaar stelt geen aanknopingspunten om appellants stelling dat er geen vacatures beschikbaar waren ten tijde in geding voor waar te houden. De door appellant genoemde psychische en fysieke beperkingen, wat daar verder van zij, doen daar niet aan af. Door geen enkele sollicitatie-poging te ondernemen heeft appellant op voorhand iedere mogelijkheid om werk te verkrijgen uitgesloten. De stellingen van appellant omtrent andere inspanningen, zoals het bij mensen informeren naar werk en de inschrijvingen bij diverse uitzendbureaus, kan de Raad niet honoreren, nu bewijzen of gegevens daaromtrent niet zijn overgelegd en derhalve het niet controleerbaar zijn daarvan voor rekening van appellant dient te blijven. Hetgeen namens appellant overigens is aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) P. Boer.