Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS4634

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3544 WAO + 03/4231 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 76f WAOArt. 78 WAOArt. 84 Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicaptenArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie voor 2002 en 2003

Appellante betwistte de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premies voor de jaren 2002 en 2003 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Deze premies waren gebaseerd op de aan twee ex-werknemers uitbetaalde WAO-uitkeringen in de refertejaren 2000 en 2001. De ex-werknemers waren arbeidsgehandicapt en hadden tijdens hun dienstverband bij appellante een loonkostensubsidie ontvangen.

De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, stellende dat de no-risk polis niet van toepassing was omdat de arbeidsongeschiktheid was ingetreden tijdens het dienstverband dat vóór 1 januari 1998 was aangegaan. Appellante ging hiertegen in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat artikel 76f, vijfde lid, onder c, van de WAO niet van toepassing was, omdat de betreffende dienstverbanden vóór 1 januari 1998 waren aangegaan.

De Raad overwoog verder dat artikel 84 van Pro de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten expliciet bepaalt dat de no-risk polis alleen geldt voor dienstverbanden die op of na 1 januari 1998 zijn aangegaan. Gezien deze wettelijke bepalingen en de feiten achtte de Raad geen grond om de besluiten van het UWV te vernietigen. De aangevallen uitspraken werden daarom bevestigd.

Tot slot oordeelde de Raad dat geen toepassing kon worden gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premies voor 2002 en 2003 en wijst het hoger beroep van appellante af.

Uitspraak

03/3544 WAO
03/4231 WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellante]., gevestigd te [vestigingsplaats], appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekering (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 3 mei 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 26 november 2001, waarbij gedaagde de door appellante verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2002 heeft vastgesteld op 3,49%.
Bij besluit van 7 februari 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 25 november 2002, waarbij gedaagde de door appellante verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de WAO voor het premiejaar 2003 heeft vastgesteld op 2,51%.
De rechtbank heeft bij uitspraken van 13 juni 2003 en 24 juli 2003, met kenmerk 02/1072 en 03/579, de namens appellante tegen voormelde besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. R. Bom, advocaat te Breda, op bij beroepschriften (met bijlagen) van 21 juli 2003 en 19 augustus 2003 van die uitspraken in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft op 9 september 2003 en 1 oktober 2003 gedagtekende verweerschriften ingezonden
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 december 2004, waar voor appellante is verschenen M.M. van Noord, hoofd personeelszaken en mr. Bom, voornoemd. Gedaagde heeft zich -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft bij besluiten van 26 november 2001 en 25 november 2002 de door appellante voor de premiejaren 2002 en 2003 verschuldigde, gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de WAO vastgesteld op respectievelijk 3,49% en 2,51%. Aan deze vaststellingen ligt ten grondslag de aan de ex-werkneemsters van appellante, [werkneemster 1] in 2000 en 2001 en [werkneemster 2] in 2000, uitbetaalde uitkering krachtens deze wet. Deze als arbeidsgehandicapten aangemerkte ex-werknemers zijn op 27 oktober 1997 en 27 november 1997 onder toekenning van een loonkostensubsidie bij appellante in dienst getreden. [werkneemster 1] heeft op 7 april 1998 haar werkzaamheden bij appellante moeten staken in verband met arbeidsongeschiktheid en [werkneemster 2] op 6 november 1998.
De beroepen tegen de besluiten van 3 mei 2002 en 7 februari 2003, waarbij gedaagde heeft gehandhaafd voormelde besluiten van 26 november 2001 en
25 november 2002, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij -kort samengevat- overwogen dat gelet op het te dezen geldende wettelijke kader de zogenoemde no-risk polis op de onderhavige situaties niet van toepassing is, zodat de aan [werkneemster 1] en [werkneemster 2] uitbetaalde WAO-uitkeringen in de refertejaren 2000 en 2001 ingevolge artikel 76f, eerste lid, van de WAO ten laste zijn gekomen van de Arbeidsongeschiktheidskas. Dat brengt met zich dat de uitbetaalde WAO-uitkeringen in aanmerking dienden te worden genomen bij de berekening van de gedifferentieerde WAO-premies voor de jaren 2002 en 2003.
Ook in hoger beroep worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of appellante terecht als premieplichtige werkgever is aangemerkt. Daarbij is niet in geschil dat de arbeidsongeschiktheid van [werkneemster 1] en [werkneemster 2] is ingetreden tijdens het dienstverband met gedaagde.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank alsmede de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad is van oordeel dat het bepaalde in artikel 76f, vijfde lid, aanhef en onder c, van de WAO zoals dit artikel luidde ten tijde in geding in het geval van appellante toepassing mist. In artikel 84 van Pro de Wet op de (re)integratie van arbeidsgehandicapten is namelijk bepaald dat onder een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 76f, vijfde lid, aanhef en onder c, van de WAO uitsluitend wordt verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend aan een werknemer terzake van arbeidsongeschiktheid uit een dienstbetrekking die op of na 1 januari 1998 is aangegaan. Hiervan is te dezen geen sprake.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2005.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) W.J.M. Fleskens