ECLI:NL:CRVB:2005:AS4803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing bijzondere bijstand voor huiswerkbegeleiding dochter
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van huiswerkbegeleiding van haar dochter voor het schooljaar 2000-2001. Deze aanvraag werd door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage afgewezen omdat bijleskosten niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend volgens artikel 16 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw). De rechtbank vernietigde het besluit wegens ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep overwogen dat de Wet tegemoetkoming studiekosten (Wts) een voorliggende voorziening vormt voor de studiekosten van minderjarige kinderen die volledig dagonderwijs volgen. Daarnaast is ook een lening bij de gemeentelijke kredietbank als voorliggende voorziening aangemerkt. De Raad oordeelde dat de kosten van huiswerkbegeleiding niet noodzakelijk zijn, mede omdat deze niet verplicht was gesteld door de onderwijsinstelling en de gekozen onderwijsroute een eigen keuze was.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van zeer dringende redenen die bijstand rechtvaardigen volgens artikel 17, derde lid, van de Abw. De verklaringen over de effectiviteit van de huiswerkbegeleiding en de dyslexie van de dochter waren onvoldoende om hiervan af te wijken. Daarom werd de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van huiswerkbegeleiding wordt bevestigd.