ECLI:NL:CRVB:2005:AS4878
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing Ziektewetuitkering wegens onvoldoende psychische klachten
Appellant, werkzaam als oogstmedewerker in een rozenkwekerij, meldde zich ziek wegens rug- en vermoeidheidsklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 11 december 2001 werd hij geschikt verklaard voor arbeid en zijn Ziektewetuitkering beëindigd. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn medische toestand onjuist was ingeschat, mede vanwege mogelijke psychische klachten.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde op basis van het medisch dossier en aanvullende informatie van behandelaars dat appellant terecht als hersteld werd beschouwd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen aanwijzingen waren voor onzorgvuldig onderzoek of onjuiste conclusies. In hoger beroep voerde appellant aan dat depressieve klachten mogelijk al vóór begin 2002 bestonden, ondersteund door een aanvullende verklaring van zijn psychotherapeut.
De Raad overwoog dat de klachten geleidelijk kunnen ontstaan, maar dat op de peildatum 11 december 2001 niet vaststond dat appellant in relevante mate psychische klachten had. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en er was geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.