ECLI:NL:CRVB:2005:AS5199
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor gangbare arbeid
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, viel in april 1996 uit wegens rugklachten en ontving daarop een WAO-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Deze werd in 1997 herzien naar 15-25%. Op 10 september 2001 meldde appellant zich ziek met hoofdpijn, nek- en knieklachten en vroeg een Ziektewet-uitkering aan, die werd geweigerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant geschikt was voor de in het kader van de WAO vastgestelde functies. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat 'zijn arbeid' in de Ziektewet moet worden geïnterpreteerd als gangbare arbeid, te weten de afzonderlijke functies waarvoor appellant eerder geschikt werd geacht.
Medische rapporten van verzekeringsartsen toonden geen toename van beperkingen aan. Zelfs bij een ruimere interpretatie van de beperkingen bleef appellant geschikt voor ten minste één functie, namelijk samensteller. De Raad zag geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering omdat appellant geschikt is voor gangbare arbeid.