ECLI:NL:CRVB:2005:AS5261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1904 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 WUBOArt. 8:75 AwbArt. 19 WUBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding extra vakantie wegens ontbreken medische noodzaak na oorlogsletsel

Eiseres, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische invaliditeit, verzocht om vergoeding van kosten voor een extra vakantie vanwege aangezichtspijn en depressieve klachten in het koude seizoen.

Verweerster wees dit verzoek af omdat geen sprake was van een voorgeschreven vakantie of rustperiode na medische behandeling van het oorlogsletsel, noch ter voorkoming van een acute en ernstige verergering daarvan. De medische adviezen bevestigden het ontbreken van een medische noodzaak en geen aanwijzingen voor een dreigende psychische decompensatie.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in stand kan blijven en wees het beroep af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De klachten van eiseres zijn niet in verband gebracht met het oorlogsletsel en de gezondheidstoestand van haar echtgenoot is niet relevant voor de beoordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding voor extra vakantie wordt afgewezen wegens ontbreken van medische noodzaak.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/1904 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 24 februari 2004, kenmerk JZ/R70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 december 2004. Aldaar is eiseres in persoon verschenen, terwijl verweerster zich, met voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren in 1936, in 1997 door verweerster op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.
De lichamelijke klachten, te weten haar rechter schouder- en armklachten alsmede haar aangezichtspijn, zijn toen niét aanvaard als staande in het vereiste verband met de ondervonden oorlogscalamiteiten. Aan eiseres zijn inmiddels toegekend de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet, alsmede bijzondere voorzieningen in de kosten van huishoudelijke hulp, van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten en van Deelname aan het Maatschappelijk Verkeer (DMV).
In september 2003 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om haar een vergoeding van de kosten van een extra vakantie toe te kennen. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat zij in het koude jaargetijde veel last heeft van haar aangezichtspijn en dat zij ook depressief wordt van het sombere weer in die periode.
Bij besluit van 17 december 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster genoemde aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres niet op grond van haar psychische invaliditeit is aangewezen op de gevraagde voorziening.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 32 van Pro de Wet worden de extra kosten van, op grond van het aanvaarde oorlogsletsel noodzakelijke, (preventieve) geneeskundige behandeling en verpleging en de daarmee direct verband houdende extra kosten van noodzakelijke voorzieningen volledig vergoed.
Naar de Raad al eerder heeft overwogen gaat verweerster in gevallen als het onderhavige terecht uit van de opvatting - kort samengevat - dat voor een vergoeding van de kosten van extra vakantie op grond van artikel 32 van Pro de Wet eerst dan plaats is indien sprake is van een voorgeschreven vakantie/rustperiode na een ondergane medische behandeling van het oorlogsletsel dan wel ter voorkoming van een acute en ernstige verergering daarvan.
In het geval van eiseres heeft verweerster in overeenstemming met adviezen van haar geneeskundig adviseurs geoordeeld dat een medische noodzaak in evengenoemde zin zich niet voordoet. Bij die adviezen is aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor een dreigende psychische decompensatie.
De Raad heeft in de beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunt kunnen vinden om het standpunt van verweerster onjuist te oordelen. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat, zoals hierboven vermeld, al eerder rechtens is vastgesteld dat de aangezichtspijnen van eiseres - waarop de aanvraag ook blijkens het verhandelde ter zitting primair is gebaseerd - niet in verband staan met de door eiseres meegemaakte oorlogscalamiteiten in de zin van de Wet.
Verder kunnen ook de door eiseres nog aangevoerde omstandigheden over de gezondheid van haar echtgenoot niet meewegen.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2005.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.