ECLI:NL:CRVB:2005:AS5266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Verzet ongegrond wegens termijnoverschrijding griffierecht in hoger beroep sociale zekerheidsrecht
Opposante, als erfgename van betrokkene, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam in een sociaal zekerheidsrechtelijke zaak. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan. Tegen deze beslissing werd verzet ingesteld.
Tijdens de zitting op 22 december 2004 was de gemachtigde van opposante aanwezig, maar geopposeerde niet. De gemachtigde voerde aan dat door miscommunicatie het griffierecht niet tijdig was betaald. De Raad oordeelde echter dat geen reden bestond om af te wijken van de regel dat het niet tijdig betalen van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, tenzij redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat geen verwijt kan worden gemaakt.
De Raad wees op eerdere brieven waarin de gemachtigde was gewezen op de verschuldigdheid en de termijn voor betaling. Het griffierecht werd pas na de gestelde termijn voldaan. Volgens vaste rechtspraak blijven de gevolgen van nalatigheden van de gemachtigde in principe voor rekening van de cliënt. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de eerdere uitspraak van 9 juli 2004 in stand.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard vanwege het niet tijdig voldoen van het griffierecht, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk blijft.