ECLI:NL:CRVB:2005:AS5611

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/5667 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:75 AwbAlgemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang na gewijzigde toeslagbeslissing

Appellant, woonachtig in Marokko, maakte bezwaar tegen de afbouw van zijn toeslag op grond van de Toeslagenwet door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het bestreden besluit. In hoger beroep werd het beroep aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar later verviel deze uitspraak. Vervolgens stelde het Uwv een nieuw besluit vast op 6 november 2003, waarin het bezwaar van appellant werd gehonoreerd en de toeslag werd nagekomen met wettelijke rente.

Appellant gaf aan dat hij recht heeft op de toeslag en handhaafde zijn hoger beroep. De Raad stelde vast dat het nieuwe besluit volledig aan de eisen van appellant voldoet en dat hij geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep. De Raad oordeelde dat het beroep zich niet uitstrekt tot het nieuwe besluit en dat er geen grond is om dit alsnog te behandelen.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, waarbij tevens werd bevestigd dat het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko zich verzet tegen de afbouw van de toeslag vanwege het verblijf van appellant in Marokko.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang na het nieuwe besluit dat het bezwaar volledig tegemoetkomt.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
01/5667 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 januari 2001 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat zijn toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) in een periode van drie jaar wordt afgebouwd.
Bij besluit van 22 februari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 januari 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 september 2001 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden -aangevuld bij schrijven van 28 november 2001- van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Bij uitspraak van 7 mei 2002 is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief gedateerd 23 januari 2004 heeft gedaagde aan de Raad doen toekomen zijn besluit van 6 november 2003, waarbij appellants bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2001 gegrond is verklaard. Aangegeven wordt dat de sedert 1 januari 2001 te weinig betaalde toeslag wordt nabetaald vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente. De betaling van de toeslag dient vanaf 1 januari 2003 te worden hervat.
Bij uitspraak van 12 maart 2004 is de uitspraak van 7 mei 2002 vervallen verklaard.
Bij schrijven van 26 maart 2004 heeft gedaagde van verweer gediend. Opgemerkt wordt dat, gezien het besluit van
6 november 2003 appellant geen procesbelang meer heeft bij zijn hoger beroep. Verzocht wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Bij schrijven van 26 april 2004 is namens appellant opgemerkt dat hij recht heeft op een toeslag.
Bij schrijven van 28 september 2004 is door de griffier van de Raad aan appellant verzocht mee te delen of met het besluit van 6 november 2003 door gedaagde volledig wordt tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellant en of hij het hoger beroep wenst te handhaven.
Bij brief van 18 oktober 2004 heeft appellant daarop geantwoord dat het hoger beroep wordt gehandhaafd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 7 januari 2005, waar partijen -gedaagde met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad zal eerst ingaan op de vraag of appellant, op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 juncto 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geacht moet worden beroep te hebben ingesteld tegen gedaagdes besluit van
6 november 2003.
Bij de in rubriek I genoemde brief van 18 oktober 2004 heeft appellant, desgevraagd, te kennen gegeven dat hij graag wil dat aan hem de toeslag wordt betaald sedert 1 januari 2001 tot en met heden en ‘verder wil ik niets meer’. De Raad stelt vast dat bij gedaagdes besluit van 6 november 2003, gezien de inhoud van dat besluit, geheel aan de eisen van appellant wordt tegemoet gekomen. De Raad concludeert dat appellants beroep zich niet (tevens) uitstrekt over het besluit van 6 november 2003, zodat de Raad in dit geding over dat besluit geen uitspraak kan doen.
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34) zich verzet tegen de afbouw door gedaagde van appellants toeslag op de grond dat appellant in Marokko woont. Op die grond is het beroep gegrond verklaard en is het bestreden besluit vernietigd.
De Raad stelt vast dat de rechtbank het beroep van appellant volledig heeft gehonoreerd. Gesteld noch gebleken is dat appellant bij het hoger beroep enig belang heeft. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2005.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.F. van Moorst.