ECLI:NL:CRVB:2005:AS5674

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1809 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging arbeidsongeschiktheidsbesluit voor conciërge ondanks polsklachten

Appellant, werkzaam als conciërge, viel op 31 mei 1999 uit wegens polsklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde hem per 29 mei 2000 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij arbeidsgeschikt werd geacht voor zijn eigen werk. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij volledig arbeidsongeschikt was vanwege aanhoudende klachten na operaties aan beide polsen.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Zij baseerde zich op medisch onderzoek en informatie van behandelend artsen, waaronder een plastisch chirurg, die geen zwaardere beperkingen per 29 mei 2000 vaststelden. De Raad overwoog dat de latere verslechtering van de gezondheidstoestand geen invloed heeft op het belastbaarheidspatroon dat ten grondslag lag aan de beoordeling.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en oordeelt dat appellant met inachtneming van de vastgestelde beperkingen in staat is zijn maatmanfunctie als conciërge uit te oefenen. Nieuwe medische feiten of gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant per 29 mei 2000 arbeidsgeschikt is voor zijn functie als conciërge en wijst het beroep af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1809 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. P.A. Goossens, advocaat te Eindhoven, op daartoe bij beroepschrift van 10 april 2003 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2003 (AWB 01/3115), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 januari 2005, waar appellant niet is verschenen. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is op 31 mei 1999 uitgevallen voor zijn werk als conciërge wegens met name polsklachten.
Bij besluit van 24 mei 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellant per einde wachttijd in aanmerking te brengen voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Volgens gedaagde dient appellant met ingang van 29 mei 2000 arbeidsgeschikt te worden geacht voor zijn eigen werk, zijnde het werk als conciërge.
Bij besluit van 12 december 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellant doen aanvoeren dat ook na de operaties aan beide polsen de klachten van appellant zijn blijven bestaan en dat appellant in verband met zijn medische beperkingen op en na 29 mei 2000 volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van appellant de juiste medische beperkingen tot het verrichten van arbeid zijn aangenomen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat deze beperkingen zijn vastgesteld op basis van eigen onderzoek, waaronder de anamnese van eiser. Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat de verzekeringsarts de informatie van neuroloog Van Kasteren en internist Erdtsieck in zijn overwegingen heeft betrokken. Voorts heeft de rechtbank gewezen op de door de bezwaarverzekeringsarts bij behandelend plastisch chirurg Fechner ingewonnen informatie. De rechtbank heeft hierin geen aanleiding gezien om de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank er op gewezen dat de in casu relevante datum 29 mei 2000 is. Aangezien appellant blijkens de brief van 27 november 2000 van plastisch chirurg Fechner aan de bezwaarverzekeringsarts op 22 maart 2000 (links) en op 27 september 2000 (rechts) is behandeld en appellant voorts ter zitting heeft aangegeven dat hij plastisch chirurg Fechner op 10 oktober 2000 en 24 oktober 2000 heeft bezocht, kan naar het oordeel van de rechtbank het feit dat plastisch chirurg Fechner in zijn brief van 20 september 2002 heeft geschreven dat de gezondheidstoestand van appellant “na enige maanden” is verslechterd niet van invloed zijn op het belastbaarheidspatroon dat ten grondslag lag aan de beoordeling per 29 mei 2000. Van belang heeft de rechtbank daarbij geacht dat uit de vermelde brief van 20 september 2002 blijkt dat de behandeling op 22 maart 2000 aanvankelijk een goed resultaat had. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts zich dan ook kunnen baseren op de in de brief van 27 november 2000 door plastisch chirurg Fechner verstrekte informatie.
Met inachtneming van de in het belastbaarheidspatroon voor appellant opgenomen beperkingen moet appellant volgens de rechtbank in staat worden geacht om zijn maatmanfunctie als conciërge te verrichten.
De Raad stelt vast dat de in hoger beroep van de kant van appellant aangevoerde bezwaren in essentie een herhaling zijn van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn van de kant van appellant niet naar voren gebracht.
Hiervan uitgaande is ook de Raad van oordeel dat de bezwaren van appellant niet kunnen leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. De Raad verwijst hierbij naar de overwegingen die de rechtbank aan de aangevallen uitspraak ten grondslag heeft gelegd, welke overwegingen de Raad tot de zijne maakt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat appellant op de datum in geding, zijnde 29 mei 2000, zwaardere medische beperkingen had dan vastgesteld bij het belastbaarheidspatroon van 24 maart 2000. Uit de door de bezwaarverzekeringsarts in de bezwaarprocedure bij plastisch chirurg Fechner opgevraagde medische informatie blijkt immers dat op 29 mei 2000 geen sprake was van toegenomen medische beperkingen bij appellant.
Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om vast te stellen dat de belasting in de maatmanfunctie als conciërge valt binnen het voor appellant opgestelde belastbaarheidspatroon van 24 maart 2000.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2005.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.F. van Moorst.