ECLI:NL:CRVB:2005:AS5679
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens verzwegen werkzaamheden en inkomsten
Gedaagde was sinds oktober 1985 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Uit een opsporingsonderzoek bleek dat zij vanaf 1995 tot 2000 werkzaamheden verrichtte in een winkel waarvan zij directeur-enig aandeelhouder was, zonder dit aan appellant te melden. Appellant stelde de loonwaarde van deze werkzaamheden fictief vast op het niveau van een voltijdse bedrijfsleider en besloot de WAO-uitkering met terugwerkende kracht in te trekken en onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de werkzaamheden van gedaagde niet gelijkgesteld konden worden met die van een bedrijfsleider, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat gedaagde wel degelijk de dagelijkse leiding had en belangrijke beslissingen nam. De Raad bevestigde dat de loonwaarde terecht op bedrijfsleidersniveau was vastgesteld en dat de intrekking en terugvordering van de uitkering terecht waren.
Daarnaast werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de mededelingsplicht. De rechtbank had deze boete vernietigd omdat de hoogte van de benadeling niet vooraf was vastgesteld, maar de Raad oordeelde dat de boete terecht was opgelegd en handhaafde deze.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van gedaagde ongegrond, waarmee de besluiten van appellant werden bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WAO-uitkering en de boete van €817 werden bevestigd en het beroep van gedaagde ongegrond verklaard.