Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS6723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1309 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oordeel dat appellant niet meer ongeschikt is voor haar arbeid

Appellante was sinds april 1999 werkzaam als champignonplukster en viel op 22 juni 2001 uit wegens een nagelextractie. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 30 juli 2001 werd zij per 31 juli 2001 hersteld verklaard. Gedaagde stelde bij besluit van 1 augustus 2001 dat appellant niet langer ongeschikt was voor haar arbeid. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 2 november 2001 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep eveneens ongegrond, stellende dat appellant op grond van medische gegevens in staat was haar werkzaamheden te verrichten.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij het niet eens was met de herstelverklaring en dat zij na een korte werkhervatting opnieuw uitviel. Tevens stelde zij dat haar psychische klachten onvoldoende waren onderzocht. Gedaagde overhandigde een rapport van een bezwaarverzekeringsarts die het standpunt van gedaagde bevestigde.

De Raad concludeerde dat er geen medische aanwijzingen zijn die het standpunt van de verzekeringsartsen ondermijnen. De klachten van appellant waren niet objectief vastgesteld als beperkingen en er was geen bewijs van toename van klachten. Daarom bevestigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellant sinds 1 augustus 2001 in staat is haar werk te verrichten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 1 augustus 2001 niet meer ongeschikt is voor haar arbeid.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/1309 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen een op 30 januari 2003 door de rechtbank `s-Hertogenbosch tussen partijen gewezen uitspraak (reg.nr. AWB 01/2881 ZW), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 januari 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen L. den Hartog, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante was sedert april 1999 werkzaam champignonplukster en is op 22 juni 2001 uitgevallen wegens een nagelextractie. Op 30 juli 2001 is zij onderzocht door een verzekeringsarts, die ook de door appellante aangegeven hoofdpijn- en nekklachten heeft onderzocht en is zij door hem per 31 juli 2001 hersteld verklaard. Op 1 augustus 2001 is appellante wegens nek-, hoofdpijn- en rugklachten uitgevallen. Bij besluit van 1 augustus 2001 heeft gedaagde aan appellante medegedeeld dat zij op 31 juli 2001 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid.
Bij besluit van 2 november 2001 (het bestreden besluit) verklaarde gedaagde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante eveneens ongegrond en overwoog daarbij dat op grond van de beschikbare medische gegevens de rechtbank met gedaagde van oordeel is dat appellante op 1 augustus 2001 in staat moest worden geacht tot het verrichten van haar werkzaamheden. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts bij eigen onderzoek geen beperkingen hebben geconstateerd. De klacht van hoofd- en nekpijn heeft appellante, naar eigen zeggen, al sedert 1997. Nu appellante met deze klacht jaren heeft kunnen werken en er geen aanknopingspunten zijn dat er een toename van klachten sedert 1 augustus 2001 is opgetreden moet appellante volgens de rechtbank in staat worden geacht haar eigen werk als champignonplukster te verrichten.
Appellante is het niet eens met deze uitspraak van de rechtbank en heeft in hoger beroep aangegeven dat uit de medische kaart blijkt en dat zij het uitdrukkelijk niet eens was met de herstelverklaring per 31 juli 2001 en dat zij geprobeerd heeft om 1 augustus 2001 haar werk te hervatten maar na enkele uren opnieuw is uitgevallen. Voorts is zij van mening dat haar psychische klachten door de bezwaarverzekeringsarts niet serieus zijn genomen en ten onrechte niet zijn onderzocht.
Gedaagde heeft als reactie op het hoger beroepschrift van appellante een rapport overgelegd van bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 2 mei 2003. Deze ziet na bestudering en heroverweging van de thans in hoger beroep ter beoordeling voorgelegde stukken geen aanleiding om het in het bestreden besluit genomen standpunt op medische indicatie te herzien.
De Raad overweegt als volgt
Door de verzekeringsarts zijn op 30 juli 2001 en 27 september 2001 ten aanzien van de hoofdpijn-, nek- en rugklachten geen objectiveerbare beperkingen vastgesteld.
Hetgeen van de zijde van appellante in (hoger) beroep is aangevoerd bevat geen medische informatie die het standpunt van appellante onderbouwen. De Raad heeft in de aanwezige stukken in het dossier geen aanwijzingen gevonden om te twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarsten. De Raad is eveneens als de rechtbank van oordeel dat appellante op 1 augustus 2001 in staat moest worden geacht tot het verrichten van haar werkzaamheden.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) A. van Netten.