Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS7466

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3806 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 2 CSVArt. 12 CSVArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over privaatrechtelijke dienstbetrekking en boete sociale verzekeringspremies

Appellante is in hoger beroep gekomen tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht waarin werd geoordeeld dat betrokkene sinds medio 1996 in een verzekeringsplichtige privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was bij appellante. Hierdoor was appellante premies sociale werknemersverzekeringen verschuldigd en had zij onjuist gehandeld door geen opgave te doen van het door betrokkene genoten loon, wat leidde tot correctienota’s en boetenota’s over de jaren 1996 tot en met 2000.

De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd. In hoger beroep bevestigt de Raad de feiten en omstandigheden zoals door de rechtbank vastgesteld en oordeelt dat de aangevoerde gronden van appellante, die neerkwamen op betwisting van de dienstbetrekking en het ontbreken van opzet of grove schuld, reeds in eerste aanleg uitvoerig zijn behandeld en terecht zijn verworpen.

De Raad wijst erop dat verklaringen van betrokkene tegenover het onderzoeksorgaan in het algemeen als juist mogen worden aangenomen en dat het intrekken of ontkennen daarvan weinig gewicht heeft. De Raad ziet geen reden om af te wijken van het oordeel van de rechtbank en bevestigt de uitspraak. Het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

03/3806 CSV
E N K E L V O U D I G E K A M E R
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat te Maastricht, op bij aanvullend beroepschrift van 9 september 2003 aangevoerde gronden bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht onder dagtekening 19 juni 2003 gewezen uitspraak, reg.nr. 02/524, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 februari 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante exploiteert een onderneming, die zich richt op de navolgende activiteiten:
- het uitvoeren en onderhouden van dakwerken;
- het aanleggen en onderhouden van gas-, water-, riool- en cv-installaties;
- de verhuur van geisers, boilers en cv-ketels;
- de verwijdering van asbest.
Naar aanleiding van een bij appellante gehouden looncontrole heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene], die sedert medio 1996 voor appellante werkzaamheden heeft uitgevoerd, in een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding werkzaam is geweest en dat appellante derhalve over de door haar aan [betrokkene] verrichte betalingen premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten verschuldigd is. Op basis hiervan is tevens geconstateerd dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting, zoals neergelegd in artikel 10, tweede lid van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), aan het Uwv opgave te doen van het door werknemers genoten loon. Het Uwv is dan op grond van artikel 12 CSV Pro gehouden een boete op te leggen. In verband hiermee heeft gedaagde appellante op 21 juni 2001 en 26 juni 2001 correctienota’s en de daarmee samenhangende boetenota’s over de jaren 1996 tot en met 2000 doen toekomen, welke nota’s bij de beslissing op bezwaar van 26 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) zijn gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep staat, evenals bij de gedingvoering in eerste aanleg, centraal de vraag of [betrokkene] in de in geding zijnde jaren in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam is geweest bij appellante.
De Raad legt ter beantwoording van deze vraagstelling dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag aan zijn beoordeling als de rechtbank deed. De Raad verwijst hiervoor naar de aangevallen uitspraak.
De Raad moet vervolgens vaststellen dat de in hoger beroep aangevoerde gronden een herhaling vormen van hetgeen in de procedure bij de rechtbank is aangevoerd. Zij komen erop neer dat betwist wordt dat [betrokkene] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot appellante en dat bij het opleggen van de boete ten onrechte is uitgegaan van opzet of grove schuld.
De rechtbank heeft aan beide stellingen uitgebreide overwegingen gewijd en deze stellingen op uitvoerige gronden verworpen. Dit is naar het oordeel van de Raad terecht en op juiste gronden geschied. De Raad maakt dan ook de overwegingen van de rechtbank tot de zijne en neemt deze over.
De Raad merkt ten aanzien van de stelling van appellante dat de door haar en door [betrokkene] afgelegde verklaring niet juist zou zijn weergegeven nog het volgende op. Uit vaste jurisprudentie van de Raad vloeit voort dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een met het onderzoek belaste beambte afgelegde verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt. Dat de door betrokkene afgelegde verklaringen onjuist zouden zijn is voor de Raad niet aannemelijk geworden.
Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.