ECLI:NL:CRVB:2005:AS7467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Bevestiging oordeel rechtbank over loongrens en verzekeringsplicht Ziekenfondswet
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die het bestreden besluit inzake de verzekeringsplicht van betrokkene op grond van de Ziekenfondswet vernietigde vanwege een onjuiste tenaamstelling.
De kern van het geschil betrof de vraag welk loon als maatstaf geldt voor de loongrens in de Ziekenfondswet: het garantieloon (een vast minimumloon gebaseerd op een minimum aantal uren) of het feitelijk genoten loon, dat aanzienlijk hoger was. De rechtbank oordeelde dat alleen het garantieloon als vast loonbestanddeel in de arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt en daarmee bepalend is voor de verzekeringsplicht.
De Raad bevestigde dit oordeel en wees het beroep van gedaagde op het gelijkheidsbeginsel af, omdat geen bewijs was dat in andere gevallen anders was gehandeld. Ook het beroep op artikel 7:610b BW, dat een rechtsvermoeden inhoudt over de omvang van de arbeid, werd verworpen omdat dit artikel niet van toepassing was op de jaren 1996-1998 en het vermoeden weerlegbaar is.
De Raad verklaarde het hoger beroep ontvankelijk en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden, waarbij geen griffierecht werd geheven aan appellant. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 10 februari 2005.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat alleen het garantieloon als vast loon geldt voor de loongrens in de Ziekenfondswet, waardoor appellant verplicht verzekerd is.