Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS7662

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4054 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. ’t Hooft
  • C.H.T.W. van Rooijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens vervallen procesbelang bij vervoersvoorziening

Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam om haar aanvraag voor aanpassing van een vervoersvoorziening op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) af te wijzen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

Tijdens de zitting van 24 november 2004 werd het onderzoek geschorst om partijen de gelegenheid te geven te beraden over een schikkingsvoorstel van de Raad. Partijen kwamen overeen dat gedaagde een eenmalig bedrag van € 2.054,50 aan appellante zou betalen tegen finale kwijting.

De Raad constateert dat door deze schikking het procesbelang van het hoger beroep is vervallen. Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen verdere inhoudelijke beoordeling van het geschil meer plaatsgevonden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na schikking.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E KA M E R
03/4054 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij primair besluit van 13 maart 2002 heeft gedaagde de aanvraag van appellante om de aan haar in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: WVG) toegekende vervoersvoorziening in de vorm van Vervoer op Maat van deur tot deur om te zetten in Vervoer op maat van kamer tot kamer met tilservice afgewezen.
Het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 22 augustus 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak van 30 juni 2003, reg.nr. WVG 02/2618, heeft de rechtbank Rotterdam het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, tegen de aangeval-len uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 24 november 2004, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Manspeaker, en gedaagde zich heeft laten vertegen-woordigen door mr. M. de Weger en H.G. Elmerdorp, beiden werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich te beraden over een door de Raad gedaan schikkingsvoorstel.
Bij fax-bericht van 1 december 2004 heeft mr. Manspeaker de Raad meegedeeld dat appellante in de lijn van voormeld voorstel met gedaagde een schikking is overeenge-komen, inhoudende dat gedaagde aan appellante eenmalig een bedrag van ? 2.054,50 zal betalen tegen finale kwijting over en weer. Gedaagde heeft de totstandkoming van die schikking, bij brief van 24 december 2004, bevestigd.
Met toestemming van partijen is verder onderzoek ter zitting achterwege gebleven.
II. MOTIVERING
De Raad overweegt het volgende.
Namens gedaagde is, zo blijkt uit de briefwisseling van 1 en 24 december 2004, de bereidheid uitgesproken, onder meer gelet op de uit de gedingstukken en de ter zitting van de Raad naar voren gekomen bijzondere omstandigheden van dit geval, alsnog een bedrag van ? 2.054,50 ter finale kwijting aan appellante te verstrekken. Appellante heeft met dit aanbod ingestemd. Partijen hebben elkaar bij deze, op initiatief van de Raad tot stand gekomen schikking, over en weer finale kwijting verleend.
Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat thans geen belang meer bestaat bij een beoordeling van het namens appellante ingestelde hoger beroep, reden waarom dit wegens vervallen van het procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
EK2601