ECLI:NL:CRVB:2005:AS8315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht op 7 juni 2000 om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen Zelfstandigen (WAZ). Gedaagde weigerde de uitkering per besluit van 28 februari 2001 omdat appellant op 30 april 2000 minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische gegevens geen aanleiding gaven om de bevindingen van de verzekeringsartsen in twijfel te trekken.
Appellant voerde aan dat hij vanwege lichamelijke beperkingen op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt was, mede doordat zijn zoon hem werkzaamheden uit handen nam. Na het plotselinge overlijden van zijn zoon op 22 mei 2000 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100% vanwege psychische problematiek en lichamelijke klachten. Neurologe De Visser stelde in 2004 een progressieve spierziekte vast, maar de Raad oordeelde dat deze ziekte op de peildatum nog niet leidde tot volledige arbeidsongeschiktheid.
De Raad stelde vast dat de arbeidskundige beoordeling voldoende functies overliet om de minder dan 25% arbeidsongeschiktheid te rechtvaardigen. De medische en arbeidskundige aspecten rechtvaardigen de bevestiging van het bestreden besluit. De Raad zag geen aanleiding een deskundige te benoemen en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering omdat appellant op 30 april 2000 minder dan 25% arbeidsongeschikt was.