ECLI:NL:CRVB:2005:AS8347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tot intrekking van zijn Wajong-uitkering per 8 februari 2002, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid volgens het Uwv minder dan 25% was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad toetste of het medisch oordeel waarop het besluit was gebaseerd juist was. Appellant stelde dat zijn psychische beperkingen waren onderschat en dat een onafhankelijke psychiatrische expertise had moeten plaatsvinden. De Raad vond echter in de medische stukken, waaronder verklaringen van huisarts en neuroloog, geen aanwijzingen die het oordeel van de verzekeringsartsen tegenspraken.
Ook achtte de Raad de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet relevant voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Gezien de juiste vaststelling van de belastbaarheid en het ontbreken van medische bezwaren tegen de geschiktheid voor de geselecteerde functies, oordeelde de Raad dat het bestreden besluit terecht was genomen en bevestigde het de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De intrekking van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellant medisch geschikt is voor de geselecteerde functies.