ECLI:NL:CRVB:2005:AS8349

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/1628 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • J.W. Schuttel
  • O.J.D.M.L. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks medische beperkingen

Appellant, voormalig agrarisch medewerker, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens ernstige beperkingen na een auto-ongeval en een kunstheup. Bij herbeoordeling trok het UWV de uitkering in omdat appellant weliswaar niet geschikt was voor zijn oude beroep, maar wel voor andere functies die door een arbeidsdeskundige waren geselecteerd.

Appellant voerde aan dat zijn medische toestand en psychische gesteldheid onvoldoende waren meegewogen, en dat het werken in de voorgestelde functies zou leiden tot versnelde slijtage van zijn kunstheup. Hij bracht echter geen nieuwe medische stukken in hoger beroep ter onderbouwing van deze beweringen.

De Raad concludeerde dat de beschikbare gegevens het standpunt van het UWV ondersteunen en dat appellant geschikt is voor de voorgestelde functies. Er was geen grond om het bestreden besluit onrechtmatig te achten. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de intrekking van de WAO-uitkering gehandhaafd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt is voor andere functies ondanks beperkingen.

Uitspraak

03/1628 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. I. de Vink, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 februari 2003, nummer AWB 02/3468 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 november 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Oudshoorn, advocaat te Rijswijk, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W.H.K. Pouwelse, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant was laatstelijk werkzaam als agrarisch medewerker bij een loonbedrijf te ‘s-Gravenhage. Hij is op 29 december 1999 betrokken geraakt bij een auto-ongeval als gevolg waarvan hij kampt met klachten aan zijn rechterheup, waardoor uiteindelijk plaatsing van een kunstheup noodzakelijk werd.
Met ingang van 27 december 2000 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij gelegenheid van de eerstejaars herbeoordeling heeft gedaagde bij besluit van 19 december 2001 appellants uitkering met ingang van 10 februari 2002 ingetrokken. Dit besluit berust op het standpunt dat hij op evengenoemde datum, de datum in geding, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van het maatmanloon met de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen resulteert volgens de arbeidsdeskundige C. van Erp in een verlies aan verdiencapaciteit van 9%.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het besluit van 7 augustus 2002 (hierna: het bestreden besluit) waarbij het namens appellant tegen het besluit van 19 december 2001 gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard, in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag in bevestigende zin.
In hoger beroep is namens appellant herhaald dat zijn medische toestand niet juist is ingeschat en dat in het belastbaarheidspatroon onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Het verrichten van arbeid in de geduide functies zal naar de zienswijze van appellant slijtage van de kunstheup tot gevolg hebben, zodat de kunstheup sneller moet worden vervangen en de heup op een kortere termijn zal moeten worden vastgezet. Tenslotte zou met de psychische gesteldheid onvoldoende rekening zijn gehouden.
De Raad stelt vast dat ook in hoger beroep van de zijde van appellant geen nadere medische stukken in het geding zijn gebracht die de gestelde verdergaande beperkingen op het locomotore dan wel op het psychische vlak zouden kunnen ondersteunen.
De Raad is van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van gedaagde dat appellant op de datum in geding gelet op zijn medische beperkingen weliswaar niet meer geschikt was voor zijn oude beroep, maar wel in staat was de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen. Gelet hierop en voorts in aanmerking nemende dat ook overigens, in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen aanleiding bestaat om het bestreden besluit rechtens niet voor juist te houden, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) M.H.A. Jenniskens.