ECLI:NL:CRVB:2005:AS8389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezagsverhouding bij weigering WW-uitkering voor echtgenote directeur
Appellante, voormalig echtgenote van de directeur en enig aandeelhouder van een bedrijf, verrichtte werkzaamheden voor dat bedrijf tijdens haar huwelijk. Na beëindiging van het dienstverband en het aanvragen van een WW-uitkering werd deze geweigerd omdat geen sprake was van een gezagsverhouding, een vereiste voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst in de zin van de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat de huwelijksrelatie weliswaar materiële betekenis kan hebben, maar dat het ontbreken van reëel werkgeversgezag doorslaggevend is. Het feit dat het loon werd doorbetaald zonder dat werkzaamheden werden verricht en zonder ziekmelding, en dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verband hield met de verstoorde huwelijksrelatie, wekt het vermoeden dat de arbeidsvoorwaarden afweken van die van andere werknemers.
Appellante slaagde er niet in dit vermoeden te weerleggen. De Raad concludeerde dat zij niet als werkneemster in de zin van de WW kan worden aangemerkt en bevestigde daarmee het eerdere besluit tot weigering van de WW-uitkering. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen werkneemster is in de zin van de WW en wijst het beroep af.