ECLI:NL:CRVB:2005:AS8480

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2407 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenSchattingsbesluit
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige grondslag

Appellante verzocht om een WAO-uitkering die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd geweigerd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn op de peildatum 10 september 2001. De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en het beroep afgewezen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen adequaat was, maar dat de arbeidskundige grondslag van het besluit onvoldoende was.

De Raad stelt vast dat de functies die aan appellante werden voorgehouden deels verouderd waren en niet voldeden aan de vereiste van ten minste drie verschillende functies met passende opleidingseisen. Ook was onduidelijk of appellante aan de opleidingseisen voor bepaalde functies voldeed. Hierdoor voldoet het besluit niet aan het Schattingsbesluit. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt dat Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Verder veroordeelt de Raad het Uwv in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde recht wordt vergoed. Over de hoogte van eventuele renteschade kan de Raad zich nu niet uitlaten omdat het nieuwe besluit nog moet worden genomen.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het Uwv moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/2407 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 25 juli 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellante na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken op 10 september 2001 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 25 januari 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 7 april 2003, reg.nr. AWB 02/812 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. E. Schermerhorn, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 januari 2005, waar appellante met voorafgaand bericht niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. R.S. van ‘t Oor, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 10 september 2001, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, te weten de functies inpakker van geneesmiddelen (fb-code 9717), receptionist (fb-code 3941), verkoper kleding (fb-code 4911) en telefoniste- receptioniste (fb-code 3804). Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen, te weten
f 20,51 met het voor appellante geldende maatmaninkomen van f 23,18 resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van 11,52%.
Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit oordeelt de Raad als volgt.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gewezen op de in het dossier aanwezige medische gegevens, waaronder door de bezwaarverzekeringsarts van de behandelend neuroloog verkregen informatie, waarin de rechtbank voldoende aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat door gedaagde ten aanzien van appellante een juist medisch oordeel ten aanzien van het verrichten van arbeid is gegeven.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag. Naar haar mening is onvoldoende rekening gehouden met haar beperkingen ten aanzien van rug- en nekbelasting, psychische belastbaarheid en verkrampingen en trekkingen aan haar linkerzij, -arm, -hand en -oog. Ook is onvoldoende rekening gehouden met haar duizeligheids- en misselijk- heidsklachten, concentratie- en geheugenproblemen en extreme vermoeidheidsklachten. Verder is, aldus appellante, ten onrechte geen urenbeperking aangenomen.
De Raad kan zich voor wat betreft het medische aspect vinden in de overwegingen van de rechtbank. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de behandelend neuroloog J.J. Claus geen neurologische afwijkingen bij appellante heeft kunnen vaststellen. De informatie van de arts orthomanipulatie en manuele geneeskunde D.A. Banga van 11 november 2002, derhalve ruim na de datum in geding, spreekt over een ernstig whiplash trauma en bevat, naar het de Raad voorkomt, met name een beschrijving van het klachtenpatroon van appellante uit de bevindingen van Banga ten aanzien van de nek, welke niet sporen met die van Claus en met name die van de bezwaarverzekeringsarts, die bij afleiding een normale beweging van de nek waarnam, leidt de Raad niet af dat gedaagdes verzekeringsartsen de beperkingen van appellante in het belastbaarheidspatroon de laag ingeschat hebben.
Ter zitting heeft de gemachtigde van gedaagde evenwel aangegeven de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet meer te handhaven. Het merendeel van de voorgehouden functies telefoniste-receptioniste (fb-code 3804) met in totaal vijf arbeidsplaatsen kent een actualiseringsdatum van 1 oktober 1999 en was daarmee, aldus deze gemachtigde, te oud om aan appellante voor te houden. Nog afgezien hiervan stelt de Raad vast dat in de twee resterende functies uit deze fb-code met in totaal twee arbeidsplaatsen als opleidingseis is geformuleerd “L.E.A.O.-niveau. Moderne talen globaal begrijpen en spreken.” Voorts kent de functie receptionist (fb-code 3941) als opleidingseis MAVO-niveau met Duits en Engels. Appellante heeft een MAVO-diploma, maar uit de stukken valt niet op de maken wat haar vakkenpakket was, waardoor deze functie voor de schatting niet gebruikt had mogen worden. Hetzelfde geldt, gezien de formulering van de opleidingseis van twee functies, ook reeds voor de fb-code 3804. Hieruit vloeit voort, naar de mening van gemachtigde van gedaagde, dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit niet voldoet aan het in het Schattingsbesluit neergelegde vereiste van tenminste drie verschillende fb-codes.
Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak om arbeidskundige redenen voor vernietiging in aanmerking komen. Gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen en, aangezien dit een einde-wachttijdsituatie betreft, kan gedaagde bezien of er voldoende functies bij te duiden zijn op de datum in geding.
Gezien het vorenstaande ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over de hoogte van de mogelijke renteschade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit op bezwaar zal gaan luiden.
Gedaagde zal bij het nemen van het nieuwe besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze worden begroot op een bedrag van
€ 644,- aan rechtsbijstand in eerste aanleg en een bedrag van € 322,- aan rechtsbijstand in hoger beroep. Van overige kosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,-, dit eerste bedrag te betalen aan de griffier van de Raad, en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 106,04 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2005.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.R.H. van Roekel.