ECLI:NL:CRVB:2005:AS8609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Jansen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit korting en terugvordering WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid
Appellant ontving een WAO-uitkering die door het UWV werd aangepast van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80% of meer naar 65-80%, met terugvordering van te veel betaalde uitkeringen over de periode 1993-1999. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het kortingsbesluit ongegrond, maar het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit gegrond en vernietigde dit besluit gedeeltelijk.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende bewijs bestond voor de veronderstelde hogere inkomsten, onder meer vanwege gebrekkige administratieve gegevens van de werkgever en het ontbreken van een inhoudelijke reactie van het UWV op een rapport van een accountant. Tevens werd gewezen op het ontbreken van belangrijke ontlastende verklaringen van collega’s en op een eerdere uitspraak van de Raad die vergelijkbare besluiten vernietigde wegens onvolledige stukken.
De Raad oordeelde dat het UWV niet voldeed aan de motiverings- en zorgvuldigheidseisen, onder meer doordat het niet adequaat was ingegaan op het rapport Box en het RVI-rapport, en dat het kortingsbesluit niet kon worden gehandhaafd. Het terugvorderingsbesluit, dat hierop was gebaseerd, kon eveneens niet in stand blijven. De Raad vernietigde het bestreden besluit van 27 juni 2001 en bepaalde dat het UWV nieuwe beslissingen op bezwaar moet nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het kortingsbesluit en het daarop gebaseerde terugvorderingsbesluit worden vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginselen; het UWV dient nieuwe besluiten te nemen.