Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AS8662

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4132 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering meerinkomen studiefinanciering en OV-boete over 1997

Appellant ontving in 1997 studiefinanciering van januari tot en met juli in de vorm van een basis- en aanvullende beurs. In december 1997 werd hem op zijn aanvraag studiefinanciering toegekend in de vorm van een lening. Gedaagde legde appellant een vordering wegens meerinkomen en een OV-boete op. Appellant betoogde dat hij niet op de hoogte was van de gevolgen van het aangaan van een volledige lening en verzocht om herziening van de periode waarop de vordering betrekking had.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat een lening ook studiefinanciering is en dat het inkomen over het gehele jaar in aanmerking genomen mocht worden. De Raad overwoog dat appellant onjuist veronderstelde dat een lening geen studiefinanciering is, en dat dit uit het informatiemateriaal had kunnen worden opgemaakt.

De Raad zag geen grond om de toekenningsbeslissing over december 1997 ongedaan te maken of appellant anderszins te bevoordelen. Er waren geen omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de vordering wegens meerinkomen en OV-boete blijven gehandhaafd.

Uitspraak

03/4132 WSF
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op bij beroepschrift van 14 augustus 2003 aangevoerde gronden heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2003, reg.nr. WSFBSF 02/279, waarnaar hier wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 25 september 2003.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 januari 2005, waar appellant niet is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T. Holtrop, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.
II. MOTIVERING
In het kalenderjaar 1997 heeft appellant van januari tot en met juli, de maand waarin hij de leeftijd van 27 jaren bereikte, studiefinanciering genoten in de vorm van een basisbeurs en een aanvullende beurs. Naar aanleiding van zijn aanvraag van
20 november 1997 heeft gedaagde appellant over de maand december 1997 studiefinanciering toegekend in de vorm van een lening (Bericht 1997 no. 3 van 30 november 1997).
Bij besluit van 15 november 2001 heeft gedaagde appellant een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak 1997 en een 'OV-boete' opgelegd.
Bij besluit van 31 januari 2002 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 15 november 2001 ongegrond verklaard voor zover het de vordering wegens meerinkomen betreft en gegrond verklaard voor zover het de 'OV-boete' betreft. Appellant heeft tegen het besluit van 31 januari 2002 beroep ingesteld voor zover zijn bezwaar daarbij ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de door appellant aangevraagde lening ook een vorm van studiefinanciering is en dat gedaagde dan ook terecht het inkomen van appellant over het hele jaar in aanmerking heeft genomen. De door appellant voorgestelde beëindiging van de studiefinanciering met terugwerkende kracht behoort niet tot de mogelijkheden, nu in de wet is bepaald dat een aanvraag om de studiefinanciering te beëindigen uitsluitend werking heeft met betrekking tot kalendermaanden na de datum van indiening van de aanvraag. Aan de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan het gedaagde zou zijn toegestaan van dit dwingend wettelijk voorschrift af te wijken.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij er niet van op de hoogte is gesteld dat het aangaan van een volledige lening, die ook volledig moet worden terugbetaald, consequenties zou hebben voor zijn bijverdiensten in 1997. Hij zou nooit gebruik gemaakt hebben van een volledige lening over de ene maand december 1997 als hij geweten had dat dit zulke consequenties zou hebben voor zijn zwaar verdiende bijverdiensten. Hij verzoekt nogmaals of er gekeken kan worden naar de periode van januari tot en met juli 1997, waarin hij daadwerkelijk studiefinanciering ontving.
De Raad overweegt het volgende.
Appellant is het er niet mee eens dat de rechtbank geen gevolgen heeft verbonden aan het feit dat hij in de veronderstelling verkeerde dat een lening geen studiefinanciering is.
Deze veronderstelling van appellant was echter onjuist en appellant had dit uit het beschikbare informatiemateriaal kunnen opmaken, zoals gedaagde in haar verweerschrift, onder verwijzing naar de brochure 'Studiefinanciering: Tempobeurs voor het hoger onderwijs 1997/1998', terecht heeft opgemerkt.
De Raad ziet geen enkele grond waarop zou kunnen worden geoordeeld dat gedaagde, al dan niet met gebruikmaking van de hardheidsclausule, de toekenningsbeslissing over de maand december 1997 ongedaan had behoren te maken dan wel appellant anderszins in een positie had behoren te brengen alsof toekenning van studiefinanciering over die maand niet had plaatsgevonden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
Gw