ECLI:NL:CRVB:2005:AS8737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens geschiktheid voor gangbaar werk
Appellante staakte haar werkzaamheden in april 2000 vanwege surmenageklachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde haar een WAO-uitkering toe te kennen, omdat zij geschikt werd geacht voor gangbaar werk zonder verlies aan verdiencapaciteit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische gegevens voldoende rekening hielden met haar beperkingen en dat haar opleidingsniveau juist was ingeschat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het besluit niet deugdelijke medische grondslag had omdat zij niet was opgeroepen voor een onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts en dat zij niet in staat was fulltime te werken. Ook stelde zij dat haar opleidingsniveau onjuist was ingeschat en de geselecteerde functies niet passend waren.
De Raad overwoog dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld door de verzekeringsartsen, die eigen onderzoek en dossiergegevens hadden gebruikt. Er waren geen nieuwe medische gegevens die de vastgestelde belastbaarheid betwistten. De psychische beperkingen vereisten een ruime inwerkperiode maar beperkten de functiekeuze niet. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellante niet fulltime kon werken.
Wat betreft het arbeidskundige aspect concludeerde de Raad dat het opleidingsniveau 2 passend was en de geselecteerde functies dit niveau niet overschreden. Gezien deze overwegingen werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering omdat appellante geschikt wordt geacht voor gangbaar werk zonder verlies van verdiencapaciteit.