ECLI:NL:CRVB:2005:AS8841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen vaststelling gedifferentieerde WAO-premie
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht inzake de vaststelling van de gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over het jaar 2000. De rechtbank had het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vernietigd vanwege het ontbreken van medische dossiers die noodzakelijk waren voor de beoordeling van de grondslag van het bestreden besluit.
Gedaagde, het UWV, had het bezwaar van appellante tegen de vastgestelde premie ongegrond verklaard en vervolgens het hoger beroep ingetrokken. Tijdens de zitting van de Raad waren partijen niet aanwezig. Appellante gaf in haar aanvullend hoger beroepschrift aan het eens te zijn met de uitspraak van de rechtbank, maar niet met het standpunt van gedaagde.
De Raad concludeert dat appellante geen belang heeft bij haar hoger beroep omdat zij geen inhoudelijke gronden aanvoert tegen de uitspraak van de rechtbank en haar standpunt feitelijk overeenkomt met dat van de rechtbank. Daarom verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.