ECLI:NL:CRVB:2005:AS9365

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4079 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar WAO wegens termijnoverschrijding

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin een terugvordering van te veel betaalde WAO-uitkering werd meegedeeld. Dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Zutphen verklaarde het beroep van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond.

Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onterecht het bezwaar voor het WAO-deel niet-ontvankelijk had verklaard, terwijl het bezwaar voor het invaliditeitspensioen, dat in dezelfde brief werd meegedeeld, wel ontvankelijk was verklaard door de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP. De Centrale Raad overwoog dat het UWV niet gebonden is aan de beslissing van de Stichting Pensioenfonds ABP en dat het verschil in behandeling van de bezwaren niet onrechtmatig is.

De Raad zag geen reden om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het WAO-besluit. Er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De zaak werd behandeld op zitting op 21 januari 2005, waarna het arrest op 4 maart 2005 werd uitgesproken.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het WAO-besluit is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

04/4079 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij schrijven van 4 maart 2003 is namens UWV USZO en de Stichting Pensioenfonds ABP aan appellant meegedeeld dat te veel uitbetaalde WAO-uitkering ten bedrage van € 15.376,05 bruto en te veel betaald invaliditeitspensioen ten bedrage van
€ 368,60 bruto van hem wordt teruggevorderd.
Appellant heeft eerst telefonisch om opheldering gevraagd en vervolgens schriftelijk bezwaar gemaakt, en wel bij brief van
6 mei 2003.
Bij besluit van 19 juni 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellant, voor zover dit de WAO betreft, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP heeft het bezwaar van appellant, voor zover dit het invaliditeitspensioen betreft, bij beslissing van 10 november 2003 gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 juni 2004, reg.nr. 03/1043 WAO, heeft de rechtbank Zutphen het beroep van appellant tegen het besluit van 19 juni 2003 ongegrond verklaard.
Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op door zijn gemachtigde mr. S.F.M. Oomen, advocaat te Apeldoorn, bij aanvullend beroepschrift d.d. 4 oktober 2004 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 15 oktober 2004.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 januari 2005, waar voor appellant is verschenen
mr. Oomen, voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
Namens appellant is in hoger beroep als beroepsgrond aangevoerd dat de rechtbank aan het feit dat het Uwv, blijkens de beslissing op bezwaar van 10 november 2003, het bezwaarschrift van appellant voor zover dit betrekking heeft op het invaliditeitspensioen wel ontvankelijk heeft geacht, ten onrechte niet de consequentie heeft verbonden dat het bezwaarschrift voor zover dit de WAO betreft evenzeer ontvankelijk had moeten worden verklaard.
Deze grief treft geen doel.
Het is op het eerste gezicht curieus dat een en dezelfde daartoe gemandateerde Uwv-functionaris bij de afhandeling van een en hetzelfde bezwaarschrift, gericht tegen een tweetal bij een en dezelfde brief meegedeelde terugvorderingsbeslissingen, waarbij dezelfde - duidelijk in het schrijven van 4 maart 2003 vermelde - bezwaartermijn geldt, twee fundamenteel verschillende beslissingen op bezwaar het licht doet zien, maar dat neemt niet weg dat gedaagde in het kader van de toepassing van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet gebonden is aan een door of namens de directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP in het kader van de toepassing van het pensioenreglement genomen beslissing, waarbij aan de overschrijding van de bezwaartermijn geen gevolgen zijn verbonden.
De Raad ziet ook anderszins geen grond om de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Die uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.