ECLI:NL:CRVB:2005:AT0225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijkheid bestuurders voor onbetaalde sociale premies na faillissement B.V.
Appellanten, waaronder de erven van een bestuurder, zijn hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaalde premies van een besloten vennootschap (B.V.) die failliet werd verklaard. De Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond verklaarde en had moeten oordelen over de besluiten van 22 juli 2002, waarbij het bedrag van de aansprakelijkheid was verlaagd.
De Raad stelt vast dat na het faillissement de plicht van de B.V. om informatie te verstrekken over betalingsonmacht is komen te vervallen, waardoor de grondslag voor aansprakelijkstelling onjuist is. De Raad vernietigt daarom de bestreden besluiten en veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
De zaak betreft toepassing van artikel 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad benadrukt dat bestuurders aansprakelijk zijn indien niet aan de informatieplicht is voldaan, tenzij zij aannemelijk maken dat dit niet aan hen te wijten is.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van 22 juli 2002 worden vernietigd; het UWV wordt veroordeeld in kosten en griffierechten.