ECLI:NL:CRVB:2005:AT0300

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4793 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie zonder discretionaire bevoegdheid

Appellante, Stichting Werkgelegenheidsinitiatieven “De Graafschap”, stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen inzake de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie over de jaren 2000, 2001 en 2002. De rechtbank had het beroep van appellante verworpen en geoordeeld dat de vaststelling van de premie geen discretionaire bevoegdheid van gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, betreft.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rechtbank terecht niet het criterium van redelijkheidstoetsing heeft toegepast, aangezien gedaagde geen beoordelingsvrijheid heeft bij de premievaststelling. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel door de rechtbank met een juiste motivering verworpen. Appellante was niet verschenen bij de zitting van de Raad.

De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en bevestigde de beslissing van de rechtbank. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken door rechter R.C. Stam.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4793 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
Stichting Werkgelegenheidsinitiatieven “De Graafschap”, gevestigd te Zutphen, appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 13 augustus 2003 onder kenmerk 02/976 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de Raad op 3 februari 2005, waar eiseres niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 23 mei 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaarschrift van appellante gericht tegen de besluiten van 28 november 2001 en 3 december 2001 tot vaststelling van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over respectievelijk 2001 op 6,36%, 2000 op 4,54% en 2002 op 6,06%.
Anders dan appellante blijkens haar aanvullend appèlschrift veronderstelt, heeft de rechtbank alle door appellante in het inleidend beroep aangevoerde gronden in de overwegingen van haar uitspraak genoegzaam gemotiveerd verworpen. Dat geldt in het bijzonder de verwerping van de stelling dat gedaagde “niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen”. Terecht heeft de rechtbank dit toetsingscriterium niet aan haar uitspraak ten grondslag gelegd, nu gedaagde ter zake de vaststelling van de gedifferentieerde premie niet over enige discretionaire bevoegdheid beschikt. Het is niet de taak van de rechter om de innerlijke waarde of de billijkheid van een wettelijke bepaling te beoordelen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel terecht en met een juiste, door de Raad ten volle onderschreven, redenering verworpen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding tot de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2005.
(get.) R.C. Stam.
(get.) R.E. Lysen.