ECLI:NL:CRVB:2005:AT0323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-uitkering en toepassing artikel 44 WAO bij inkomsten uit arbeid
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn WAO-uitkering die op grond van artikel 44 van Pro de WAO vanwege inkomsten uit arbeid in drie periodes niet volledig werd uitbetaald. De discussie betrof met name de periode van 11 januari tot 11 april 2000, waarin appellant als uitbener bij een slachterij werkte.
De rechtbank had geoordeeld dat de gedaagde organisatie redelijkerwijs mocht uitgaan van de contractueel vastgelegde arbeidstijd en het salaris zoals opgegeven door de werkgevers, waarbij reistijd niet als arbeidsuur werd gerekend. Appellant voerde aan dat het salaris in werkelijkheid lager was en dat vanwege de excessieve reistijden een hoger aantal arbeidsuren had moeten worden gehanteerd, wat zou leiden tot lagere inkomsten per gewerkt uur.
De Raad oordeelde dat de wettelijke voorschriften geen ruimte bieden om reistijd als arbeidstijd aan te merken of reiskosten in mindering te brengen op het salaris. De Raad vernietigde het eerdere besluit voor zover de mate van arbeidsongeschiktheid te laag was vastgesteld en verklaarde het bezwaar gegrond, maar wees het hoger beroep tegen de nieuwe vaststelling af. Tevens veroordeelde de Raad de gedaagde tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant is terecht aangepast op basis van zijn arbeidsinkomsten zonder rekening te houden met excessieve reistijden, met vergoeding van proceskosten en wettelijke rente.