ECLI:NL:CRVB:2005:AT1037
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens vermeende toename arbeidsongeschiktheid afgewezen
Appellante verzocht om herziening van haar WAO-uitkering op grond van vermeende toename van haar arbeidsongeschiktheid sinds de intrekking van haar uitkering in 1996. Gedaagde, het UWV, handhaafde het besluit tot intrekking van de uitkering omdat de medische beoordeling geen toename van beperkingen aantoonde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten, voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak FMF, waren toegenomen en dat ook haar psychische klachten verergerd waren. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand had gelaten omdat het bestreden besluit niet de toepassing van artikel 43a, lid 1, sub a, WAO betrof. De medische beoordelingen ondersteunden geen toename van beperkingen.
De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen in stand hield en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalde vergoeding van griffierecht. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen in stand laat en beveelt een nieuw besluit op bezwaar.