ECLI:NL:CRVB:2005:AT1094
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering op basis van passende functies in medisch en arbeidskundig opzicht
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering, waarbij de Raad van bestuur van het UWV de uitkering had ingetrokken op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank Maastricht had eerder bezwaar gemaakt tegen de arbeidskundige grondslag van de schatting, met name vanwege het opleidingsniveau van appellant. Na aanvullend onderzoek stelde de rechtbank zich achter de arbeidskundige beoordeling en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de medische grondslag reeds rechtens vaststaat en niet opnieuw kan worden beoordeeld. De Raad stelt vast dat de functies waarop de schatting is gebaseerd passend zijn voor appellant, mede doordat het Zuid-Afrikaanse diploma vergelijkbaar is met een Nederlandse HAVO-opleiding. Ook de functie van vertegenwoordiger is passend, ondanks de latere intrekking van het rijbewijs.
Verder oordeelt de Raad dat de arbeidskundige beoordeling correct is uitgevoerd met betrekking tot de situatie op de datum van belang (9 september 1997). De grief over het verschil in tijdstip van beoordeling wordt verworpen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel (art. 6 EVRM Pro) faalt omdat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn medische zienswijze met een verklaring van een huisarts of behandelend arts te onderbouwen.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de intrekking van de WAO-uitkering rechtsgeldig blijft.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de functies passend zijn bevonden.