ECLI:NL:CRVB:2005:AT1854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Onjuiste vaststelling WAO-dagloon door onjuiste toepassing Dagloonregelen
Appellante was werkzaam voor 38,33 uur per week en meldde zich op 29 mei 2000 ziek. Werkgeefster stelde dat zij sinds januari 2000 minder was gaan werken, namelijk 20 uur per week, mede door ouderschapsverlof. Het UWV stelde het WAO-dagloon vast op basis van 20 uur per week, wat appellante betwistte. De rechtbank stelde dat appellante stilzwijgend akkoord was gegaan met vermindering van haar arbeidsduur en paste artikel 5 van Pro de Dagloonregelen toe, waardoor het dagloon werd aangepast.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een vermeende stilzwijgende vermindering van arbeidsduur geen wijziging in de zin van artikel 5 Dagloonregelen Pro is, omdat het geen wijziging van loon of loonpeil betreft maar van arbeidsduur. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen over het dagloon, waarbij de eerdere rechtsgevolgen niet in stand blijven.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van appellante in hoger beroep. De zaak benadrukt het belang van correcte toepassing van de Dagloonregelen bij vaststelling van het WAO-dagloon en de bescherming van werknemers tegen eenzijdige vermindering van arbeidsduur zonder geldige regeling.
Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt de eerdere uitspraak en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen over het WAO-dagloon zonder toepassing van artikel 5 Dagloonregelen op arbeidsduurvermindering.