ECLI:NL:CRVB:2005:AT2398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen een herziening van haar WAO-uitkering, waarbij haar mate van arbeidsongeschiktheid was verlaagd van 80-100% naar 55-65%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Na overlegging van aanvullende medische rapporten en een second opinion werd het besluit van 15 januari 2002 vervangen door een nadere beslissing van 16 juni 2004, waarin appellante werd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80%.
Omdat het eerdere besluit als ingetrokken moest worden beschouwd en appellante geen vergoeding van eventuele schade had verzocht, oordeelde de Raad dat appellante geen belang meer had bij het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De medische rapporten van de verzekeringsarts, een orthopedisch chirurg en een neuroloog werden beoordeeld, waarbij de Raad concludeerde dat de belastbaarheid van appellante juist was ingeschat.
De Raad veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De grieven van appellante werden inhoudelijk behandeld bij de toetsing van het nadere besluit van 16 juni 2004, dat het beroep ongegrond verklaarde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit is vervangen en appellante geen belang meer heeft.