ECLI:NL:CRVB:2005:AT2405
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WAO-uitkering en mate van arbeidsongeschiktheid na bezwaar
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van haar WAO-uitkering, waarbij zij een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aanvoerde vanwege vermoeidheid, rugklachten en concentratiestoornissen. Na een eerste besluit en een daaropvolgend bezwaar is de zaak behandeld door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overweegt dat het nieuwe besluit van 4 augustus 2004 het eerdere besluit van 18 september 2001 vervangt, waardoor appellante geen belang meer heeft bij het hoger beroep. De medische rapportages, waaronder die van verzekeringsartsen en een bezwaararbeidsdeskundige, ondersteunen de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. De door appellante aangevoerde klachten en medische informatie betreffen een periode na de in geding zijnde datum en leiden niet tot een andere beoordeling.
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Gedaagde wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld en dat geen nader medisch onderzoek noodzakelijk is.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond; de mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65% is bevestigd.