ECLI:NL:CRVB:2005:AT2414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en vaststelling mate arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarbij zijn WAO-uitkering werd herzien van 80-100% naar 45-55% arbeidsongeschiktheid met ingang van 7 september 2001. De rechtbank Rotterdam vernietigde het bezwaarbesluit wegens een onjuiste uitlooptermijn en bepaalde dat de herziening met ingang van 7 oktober 2001 moest gelden.
In hoger beroep werd het nieuwe besluit van 12 februari 2003, dat de herziening op 7 oktober 2001 vaststelde, beoordeeld. De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige een zorgvuldig onderzoek hadden uitgevoerd en dat er voldoende functies binnen de belastbaarheid van appellant waren. Medische informatie van de huisarts en een bezwaarverzekeringsarts bevestigden dat er geen nieuwe medische feiten waren die het oordeel konden wijzigen.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het oude besluit en ongegrond voor het nieuwe besluit. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% per 7 oktober 2001 werd als terecht vastgesteld.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard voor het eerdere besluit en ongegrond voor het nieuwe besluit; de herziening van de WAO-uitkering is terecht vastgesteld op 45-55% arbeidsongeschiktheid per 7 oktober 2001.