ECLI:NL:CRVB:2005:AT2852
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding onvoldoende onderbouwd
Appellanten, voormalig gehuwd en ouders van een kind, ontvingen een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder. De gemeente vermoedde dat zij samenwoonden op het adres van appellante, wat leidde tot een onderzoek en daaropvolgende besluiten tot beëindiging van de uitkering en terugvordering van betaalde bijstand.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante. Appellanten stelden in hoger beroep dat appellant tot medio oktober 2000 geen vaste verblijfplaats had, later op een ander adres woonde en slechts tijdelijk samenwoonde in mei 2001 vanwege een crisissituatie.
De Raad oordeelde dat het enkel doorgeven van het adres aan de werkgever onvoldoende bewijs is voor het hoofdverblijf en dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden. Omdat dit ontbrak, kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat er sprake was van gezamenlijke huishouding. Daarom vernietigde de Raad de besluiten en veroordeelde de gemeente tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten tot beëindiging en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens onvoldoende onderzoek naar het hoofdverblijf en gezamenlijke huishouding.