ECLI:NL:CRVB:2005:AT2874

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5455 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen die het bezwaar ongegrond verklaarde omdat appellant de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van het bezwaarschrift niet had nageleefd.

De Centrale Raad van Beroep heeft het geschil behandeld en onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. De omstandigheden die appellant aanvoert, zoals het overlaten van het bezwaar aan een boekhouder, geringe ervaring met de materie en een drukke baan, worden niet als verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding beschouwd.

De Raad ziet geen gronden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van gedaagde om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren blijft in stand.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5455 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft E.J. Wijnen, werkzaam bij Administratiekantoor Wijnen te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 augustus 2004, reg. nr. 04/283.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 februari 2005, waar partijen - gedaagde na voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde het bezwaar van appellant bij besluit van 4 februari 2004 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat appellant bij het instellen van zijn bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij geoordeeld dat hetgeen door appellant is aangevoerd geen reden is de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. Het overlaten van het instellen van bezwaar aan de boekhouder alsmede de geringe ervaring van appellant in deze materie en het hebben van een fulltime baan als arts naast het runnen van een croissanterie zijn omstandigheden die voor rekening en risico van appellant dienen te blijven en geen reden vormen de - niet bestreden - termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.C.M. van Laar, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.
(get) M.C.M. van Laar.
(get) L.H. Vogt.