ECLI:NL:CRVB:2005:AT2880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking kraamverzorgenden en premieplicht
Appellanten 2 en 3 exploiteerden elk een eenmanszaak voor thuiskraamzorg, waarbij kraamverzorgenden waren verenigd in een maatschap. Vanaf 1 september 1993 werd een vennootschap opgericht waarin appellanten 2 en 3 aandelen bezaten en traden de kraamverzorgenden in dienst, waarna de maatschap werd ontbonden.
Gedaagde stelde op basis van onderzoeken dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen kraamverzorgenden en appellanten, met premieplicht over 1993. De rechtbank oordeelde dat de maatschap geen reële betekenis had en dat er een gezagsverhouding bestond. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat kraamverzorgenden zelfstandigen waren en dat de premies te hoog waren vastgesteld.
De Raad overweegt dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig zijn: gezagsverhouding, persoonlijke dienstverrichting en loonbetaling. Appellanten hadden de verantwoordelijkheid voor professionele uitvoering en controle, en kraamverzorgenden waren organisatorisch ingepast. Vervanging was alleen mogelijk binnen de maatschap, wat de persoonlijke arbeidsverrichting bevestigt.
De vaste dagvergoeding werd als loon aangemerkt. De stelling dat kraamverzorgenden zelfstandigen waren, weerhoudt niet dat zij in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden. De klacht over te hoge premiebedragen faalt wegens onvoldoende onderbouwing van kosten die in mindering moesten worden gebracht.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraken en ziet geen reden tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De verzekeringsplicht op grond van artikel 3 sociale Pro werknemersverzekeringen is terecht aangenomen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat kraamverzorgenden in privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden en dat de premies over 1993 terecht zijn vastgesteld.