ECLI:NL:CRVB:2005:AT2947

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2964 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak rechtbank inzake termijnoverschrijding bezwaarschrift WAO-premie

De zaak betreft een geschil over de vaststelling van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over het premiejaar 2002. Gedaagde had bezwaar gemaakt tegen de beschikking van appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, maar dit bezwaar was te laat ingediend. De rechtbank had echter geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege onduidelijkheid over de premiegrondslag en verstrekte telefonische informatie.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellant gegrond verklaard en het beroep van gedaagde ongegrond verklaard. De Raad oordeelde dat de informatie in het primaire besluit en de bijbehorende bijlage voldoende duidelijkheid bood over de premieberekening, zodat gedaagde bij normale oplettendheid tijdig bezwaar had kunnen maken.

Verder stelde de Raad dat de telefonische informatie van een functionaris van appellant geen verschoonbare reden vormde om de termijn te overschrijden. Ook was er geen aanleiding voor nader onderzoek door appellant. De motiveringsplicht en zorgvuldigheid van appellant werden als voldoende beoordeeld. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep van gedaagde ongegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

03/2964 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], gevestigd te [vestigingsplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant is op de bij aanvullend beroepschrift van 4 augustus 2003 aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een tussen partijen op 6 mei 2003 door de rechtbank Haarlem onder kenmerk 02/854 gewezen uitspraak.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 februari 2005, waar appellant zich heeft doen vertegen- woordigen door mr. D.A. Rusman, terwijl gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ‘s- Hertogenbosch.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft een bezwaarschrift tegen de regulier bekendgemaakte beschikking van appellant van 26 november 2001, behelzende de vaststelling van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) over het premiejaar 2002, te laat ingediend. Dit geschrift is pas verzonden op 30 januari 2002 en op 31 januari 2002 bij appellant ontvangen. Daardoor is niet voldaan aan de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift. Op grond van vanwege een functionaris van appellant verkregen telefonische informatie was gedaagde aanvankelijk ervan uitgegaan dat de WAO- uitkering van voormalig werknemer [naam voormalig werknemer] niet in de vastelling van de gedifferentieerde WAO-premie zou zijn meegenomen. Naderhand ontdekte de accountant van gedaagde dat de WAO-premie aan de hoge kant was. Op grond van een eind januari 2002 opgevraagde specificatie heeft gedaagde definitief vastgesteld dat de WAO-uitkering van [naam voormalig werknemer] toch was meegenomen in de berekende WAO-premie. Daarna is door gedaagde alsnog op korte termijn bezwaar gemaakt. Appellant heeft in het besluit op bezwaar van 7 mei 2002 in de gegeven gang van zaken evenwel geen verschoonbare termijnoverschrijding gezien en gedaagde niet-ontvankelijk geacht in diens bezwaar.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gedaagde in het gelijk gesteld, het beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 7 mei 2002 vernietigd. Aan dit oordeel is ten grondslag gelegd eensdeels dat op grond van de informatie in de bijlage bij het besluit van 26 november 2001 gedaagde redelijkerwijs niet had kunnen weten dat de aan [naam voormalig werknemer] toegekende WAO- uitkering in de premieberekening was meegenomen en voorts, dat de vanwege een functionaris van appellant hierover verstrekte telefonische informatie wel van belang was, nu ook nader onderzoek ter zake door appellant ten onrechte is nagelaten.
Appellant heeft in hoger beroep doen aanvoeren dat diens besluitvorming wel zorgvuldig tot stand is gekomen, voldoende uitsluitsel verschaft en dat de verstrekte niet bindende en niet reproduceerbare telefonische informatie medio november 2001 door een functionaris niet wegneemt dat gedaagde bij kennisneming van het primaire besluit van 26 november 2001 direct had kunnen constateren dat de vastgestelde gedifferentieerde premie hoog was, met medeneming van de WAO-uitkering van [naam voormalig werknemer] en dat het feit dat gedaagde veel te laat in actie is gekomen door eerst eind januari 2002 te reageren voor diens rekening moet blijven. Appellant ziet geen reden voor verschoonbare termijnoverschrijding bij indiening van het bezwaarschrift van de zijde van gedaagde.
Hiertegenover blijft gedaagde de besluitvorming van appellant onvoldoende achten en het onderzoek ontoereikend. Gedaagde acht de nader verkregen informatie over het meenemen van de uitkering van [naam voormalig werknemer] van belang voor het aantekenen van bezwaar, en meent dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding bij het te laat indienen van bezwaar.
De Raad oordeelt als volgt.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de Raad kunnen vaststellen dat het primaire besluit van
26 november 2001 in combinatie met de daarbij gevoegde bijlage een standaardbeslissing betreft ter zake van de premiedifferentiatie in geding waaruit in elk geval genoegzaam valt af te leiden van welke totale hoogte aan verstrekte WAO-uitkeringen over het jaar aan de orde wordt uitgegaan en tot welke gedifferentieerde WAO-premie alsdan wordt gekomen. Bij normale door een werkgever tijdig in acht te nemen oplettendheid te dien aanzien, eventueel met behulp van een in te schakelen deskundig financieel expert zoals een accountant, had redelijkerwijs aanstonds kunnen worden vastgesteld van welke werknemers de betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bij de gedifferentieerde WAO- premie, waren betrokken.
Zulks in aanmerking genomen, had niets gedaagde behoeven en behoren te beletten ten minste tijdig een sauverend bezwaarschrift in te dienen, eventueel later gevolgd door een inhoudelijk bezwaarschrift. Niet valt in te zien hoe gedaagde in naderhand van een functionaris van appellant verkregen informatie, wat daarvan overigens naar binding en inhoudelijk zij, een verschoonbare grond had kunnen vinden om de eigen verantwoordelijkheid als werkgever te dezen te verzaken en niet tijdig bezwaar aan te tekenen, zodat een beroep op artikel 6:11 van Pro de Awb moet falen. Onder de gegeven omstandigheden is evenmin duidelijk waartoe nader onderzoek van appellant te dezen alsnog zou kunnen leiden. Aldus beschouwd voldoet de besluitvorming van appellant genoegzaam aan de in de Awb vervatte wettelijke eisen met betrekking tot de in artikel 7:12 van Pro de Awb neergelegde motiveringsplicht en de vereiste zorgvuldigheid.
Het hoger beroep van appellant treft mitsdien doel en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep van gedaagde ongegrond verklaren, met vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) W.J.M. Fleskens.