ECLI:NL:CRVB:2005:AT2957

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/973 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding en boete wegens opzet/grove schuld

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen correctienota’s en boetenota’s over de jaren 1997 tot en met 2001. Het bezwaar tegen de correctienota’s werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet naleven van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken, zonder dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij door onjuiste informatie van gedaagde op het verkeerde been was gezet. Tevens was vastgesteld dat appellante niet had voldaan aan de verplichting tot loonopgave, terwijl zij zich bewust had moeten zijn van deze verplichting en de daaruit voortvloeiende premieplicht.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat sprake is van opzet of grove schuld en bevestigt dat de opgelegde boete van 25% conform de regelgeving terecht is. De Raad wijst erop dat de wettelijke voorschriften omtrent bezwaar van openbare orde zijn en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er wordt geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.

Uitkomst: Het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en de boete van 25% wegens opzet/grove schuld is bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/973 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. F.H. Kuiper, advocaat en procureur te Maastricht, hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen op 29 december 2003 onder kenmerk 03/569 door de rechtbank Roermond gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 maart 2005. Zoals tevoren schriftelijk bericht hebben partijen zich daar niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 7 april 2003 is het bezwaar van appellante tegen de correctienota’s van 21 november 2002 met betrekking tot de jaren 1997 tot en met 2001 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Voorts is bij voornoemd besluit het bezwaar van appellante tegen de boetenota’s van 26 november 2002 over voornoemde jaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, vaststellende dat het bezwaarschrift van 3 januari 2003 tegen de correctienota’s, welke termijn voor het indienen van bezwaar eindigde op 2 januari 2003, niet tijdig is ingediend en dat geen sprake is van een verschoonbaar verzuim nu niet is gebleken dat de toelichting op de bezwaarmogelijkheid die gedaagde heeft gegeven onjuist zou zijn. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichting tot het doen van loonopgave, terwijl zij zich er bewust van had behoren te zijn dat zij loonopgave moest doen en dat over de loonbetalingen premies ingevolge de werknemersverzekeringswetten verschuldigd waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde dan ook op goede gronden aangenomen dat sprake was van opzet/grove schuld en is conform de regelgeving terecht een boete van 25% opgelegd.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en overweegt daartoe als volgt.
In hoger beroep is namens appellante ten aanzien van de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding naar voren gebracht dat zij op het verkeerde been is gezet doordat gedaagde in de toelichtingsbrief van 20 november 2002 op de correctienota’s heeft vermeld dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken bedraagt en aanvangt op de dag na dagtekening van de nota’s, waardoor appellante in de veronderstelling zou verkeren dat de bezwaartermijn zes weken plus één dag bedroeg. De Raad kan appellante hierin niet volgen, te meer niet nu appellante in het op de toelichtingsbrief voorafgaand schrijven van gedaagde van 1 november 2002 nadrukkelijk is gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken na dagtekening van de correctienota’s een bezwaarschrift in te dienen. Daartoe neemt de Raad mede in aanmerking dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot het indienen van bezwaar van openbare orde zijn en gedaagde geen discretionaire bevoegdheid verlenen.
Met betrekking tot de boetenota’s is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering neergelegde verplichting tot het doen van een juiste loonopgave en dat sprake is van opzet/grove schuld zodat op goede gronden en met inachtneming van de voor appellante meest gunstige regelgeving een boete van 25 % is opgelegd.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.
G14032005