ECLI:NL:CRVB:2005:AT3157
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugbetalingsverplichting lening op grond van Bbz ondanks echtscheidingsconvenant en schuldsanering
Appellante en haar ex-echtgenoot ontvingen in 1996 een rentedragende lening van de gemeente Doetinchem op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) voor bedrijfsvoering. Appellante tekende als hoofdelijk mede-schuldenaar. Na hun echtscheiding in 1998 werd de schuld aan de ex-echtgenoot toegewezen, die appellante vrijwaarde. In 2000 beëindigde de ex-echtgenoot zijn bedrijf wegens financiële problemen en werd de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
De gemeente maakte de lening renteloos en sprak deze op, waarbij appellante verplicht werd het restant van de lening van f 32.870,65 terug te betalen. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze verplichting ongegrond, en de Raad bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad overwoog dat artikel 23, tweede lid, van het Bbz dwingendrechtelijk is en dat de gemeente appellante als hoofdelijk aansprakelijke kan aanspreken.
De Raad vond het niet onredelijk of onbillijk dat appellante moet aflossen, ondanks het echtscheidingsconvenant en de schuldsanering van haar ex-echtgenoot. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante hoofdelijk aansprakelijk blijft voor terugbetaling van de lening ondanks echtscheidingsconvenant en schuldsanering ex-echtgenoot.