ECLI:NL:CRVB:2005:AT3527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen van intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het in 1994 genomen besluit tot intrekking van zijn WAO-uitkering, omdat hij meende dat het oorspronkelijke besluit op onjuiste gronden was genomen. Het UWV herbeoordeelde de arbeidskundige grondslag, met name het maatmaninkomen, en concludeerde dat er geen sprake was van door arbeidsongeschiktheid veroorzaakt loonverlies. Dit leidde tot afwijzing van het verzoek en bevestiging van het besluit in bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat een bestuursorgaan bevoegd is om een verzoek om terug te komen van een eerder besluit inhoudelijk te behandelen, maar dat de rechter zich bij toetsing moet beperken tot de vraag of er nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. In deze zaak waren dergelijke nieuwe feiten of omstandigheden niet gesteld.
Appellant stelde dat het onderzoek onvolledig was en dat het UWV in strijd met de Awb handelde, maar de Raad oordeelde dat het UWV de arbeidskundige beoordeling wel degelijk had herzien en dat het centraal stellen van nieuwe feiten of omstandigheden niet in strijd is met de Awb.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek van appellant af. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 25 maart 2005.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om terug te komen op de intrekking van zijn WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.