ECLI:NL:CRVB:2005:AT3593
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na zwangerschapsklachten en beoordeling geschiktheid werk
Appellante, werkzaam als steksteekster, werd wegens zwangerschapsklachten op 19 september 2000 ongeschikt verklaard voor haar werk. Na de bevalling ontving zij een bevallingsuitkering en aansluitend ziekengeld. Een verzekeringsarts constateerde bij onderzoek geen neurologische afwijkingen en stelde herstel per 28 mei 2001 vast, waarna het ziekengeld werd stopgezet.
In de bezwaarfase bevestigde een bezwaarverzekeringsarts dit oordeel, op grond van een functierapport waarin het werk als licht tot zeer licht werd gekwalificeerd met voldoende afwisseling tussen zitten en staan. Ook een fysiotherapeut meldde problemen met statische belasting, maar dit leidde niet tot een ander oordeel.
De Raad verwierp het verweer dat het medisch onderzoek niet volgens de Verzekeringsgeneeskundige standaard was uitgevoerd. Tevens werd het rapport van het Instituut Psychosofia in eerste aanleg als niet doorslaggevend beoordeeld en het aanvullende schrijven in hoger beroep bood geen nieuwe verifieerbare gegevens.
Geconcludeerd werd dat appellante niet ongeschikt is voor haar werk en dat het besluit tot stopzetting van ziekengeld terecht is genomen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van ziekengeld wordt bevestigd.