ECLI:NL:CRVB:2005:AT3615

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2259 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:72 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing erkenning burgeroorlogsslachtoffer wegens onvoldoende causaliteitsmotivering

Eiser, geboren in 1940 in Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van lichamelijke en psychische klachten die hij toeschreef aan zijn internering tijdens de Japanse bezetting en de Bersiapperiode. Verweerster wees de aanvraag af omdat het causale verband tussen de klachten en de oorlogservaringen niet was aangetoond, mede op basis van medisch advies.

Na aanvullend beroepschrift en het inwinnen van informatie bij Centrum '45, waar eiser behandeld werd, wijzigde verweerster haar standpunt deels en erkende het verband met psychische klachten, maar handhaafde de afwijzing wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit. De Raad constateerde dat het bestreden besluit hierdoor zijn grondslag verloor en vernietigde het besluit wegens strijd met artikel 7:12 Awb Pro.

De Raad oordeelde dat het medisch advies van verweerster niet strookte met de diagnose PTSS van Centrum '45 en dat het beleid rond Sequentiële Oorlogstraumatisering onvoldoende in acht was genomen. Verweerster werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met nader onderzoek naar de beperkingen door psychische klachten. Tevens werd verweerster veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met nader onderzoek.

Uitspraak

04/2259 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 31 maart 2004, kenmerk JZ/P70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vervolgens over en weer hun standpunten schriftelijk nader toegelicht en nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 februari 2005. Aldaar is eiser in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juni 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend, primair ertoe strekkend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Dit verzoek heeft eiser gebaseerd op lichamelijke klachten - met name duizeligheid met oorsuizen, hoofdpijn en longklachten - en psychische klachten, die een gevolg zouden zijn van zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende, zogenoemde Bersiapperiode.
Verweerster heeft deze aanvraag van eiser afgewezen bij besluit van 12 december 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de, aan medisch advies ontleende, grond dat eiser weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet – te weten zijn internering in kamp Ngawi (Dawoe) te Madioen tijdens de Bersiapperiode – maar dat de door hem naar voren gebrachte gezondheidsklachten daarmee niet in het door de Wet vereiste causale verband staan. Wat betreft de psychische klachten heeft verweerster daarbij overwogen dat die klachten bestaan in slapeloosheid en nachtmerries, welke naar inhoud evenwel niet samenhangen met de internering.
In bezwaar en beroep heeft eiser, onder verwijzing naar zijn aanmelding bij en (inmiddels) behandeling van zijn psychische klachten in Centrum ’45, aangevoerd dat die klachten wel degelijk in causaal verband staan met zijn oorlogservaringen.
Naar aanleiding van de door eiser bij aanvullend beroepschrift gegeven toelichting heeft verweerster informatie over eiser doen inwinnen bij Centrum ’45. Op grond van die informatie heeft verweerster, overeenkomstig terzake bij haar geneeskundig adviseur nader ingewonnen advies d.d. 9 november 2004, haar standpunt gewijzigd en alsnog aanvaard dat eisers psychische klachten wel mede verband houden met de internering. In aanmerking genomen dat blijkens het ingewonnen medisch advies voor die klachten en de daaruit voorvloeiende beperkingen deels ook andere oorzaken zijn aan te wijzen, heeft verweerster de afwijzing van eisers aanvraag bij schrijven van 18 november 2004 gehandhaafd op de grond dat geen sprake is blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
De Raad stelt vast dat ingevolge deze nadere standpuntbepaling van verweerster aan het bestreden besluit de grondslag is komen te ontvallen. Dit besluit dient deswege, wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te worden vernietigd.
Vervolgens heeft de Raad onder ogen gezien de vraag of met het nader door verweerster ingenomen standpunt de afwijzing van eisers aanvraag alsnog dermate sluitend en overtuigend is gemotiveerd dat aanleiding zou kunnen bestaan om de gevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand te laten.
Tot een bevestigende beantwoording van die vraag is de Raad echter niet kunnen komen.
De Raad ziet daartoe vooral op het door verweerster ingenomen, aan genoemd medisch advies van haar geneeskundig adviseur ontleende standpunt dat voor eisers psychische klachten deels ook duidelijk andere oorzaken zijn aan te wijzen.
Dit standpunt spoort naar het oordeel van de Raad niet met de bij schrijven van 15 oktober 2004 door de aan Centrum ‘45 verbonden psychotherapeut O.F. de Boer verstrekte informatie, waaruit blijkt dat bij eiser een PTSS is gediagnosticeerd op grond van zijn oorlogservaringen. Gelet op de, uit die informatie blijkende aard van eisers psychische klachten en mede in aanmerking genomen het in gevallen als het onderhavige door verweerster gehanteerde beleid betreffende de zogenoemde Sequentiële Oorlogstraumatisering (SOT) – dat juist tot stand is gebracht om het “knippen” in psychische klachten naar gelang van de verschillende oorlogservaringen in beginsel te voorkomen – acht de Raad voorts het buiten beschouwing laten van een deel van de psychische klachten op de, in het medisch advies vermelde grond dat een deel van eisers reminiscenties en nachtmerries andere oorlogservaringen - met name de sfeer van angst in het gezin tijdens de Bersiap-onlusten, mede vanwege de afwezigheid van vader -betreffen, niet juist.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster, met inachtneming van het hiervoor overwogene, een nieuw besluit op het bezwaarschrift dient te nemen. De Raad acht het aangewezen dat daarbij een gericht nader onderzoek wordt ingesteld naar de beperkingen die eiser op grond van zijn psychische klachten ondervindt.
De Raad acht tot slot termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de kosten van eiser, welke zijn begroot op € 20,50 als reiskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het in dit geding betaalde griffierecht ad € 35,-- vergoedt;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 20,50 te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2005.
(get.) C.G. Kasdorp
(get.) A.D. van Dissel-Singhal