ECLI:NL:CRVB:2005:AT3683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en bevestiging intrekking ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid
Appellante was werkzaam in een visfabriek en meldde zich ziek wegens hoofdpijn, rug- en beenklachten. De verzekeringsarts verklaarde haar per 30 mei 2002 geschikt voor arbeid. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen het besluit tot intrekking van het ziekengeld ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de procedure niet correct was verlopen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de zaak buiten zitting had afgedaan terwijl nieuwe stukken waren ingebracht zonder dat partijen opnieuw toestemming hadden gegeven, wat in strijd is met artikel 8:57 van Pro de Awb. Hierdoor werd de uitspraak vernietigd. De Raad concludeerde echter dat geen nadere behandeling nodig was omdat het besluit tot intrekking van het ziekengeld terecht was genomen.
De medische rapporten, waaronder die van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, waren zorgvuldig en hielden rekening met de klachten van appellante. Er was geen reden om te twijfelen aan de arbeidsgeschiktheid van appellante. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het ziekengeld blijft in stand.