ECLI:NL:CRVB:2005:AT3769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verdere Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant meldde zich ziek wegens rugklachten na een val in januari 2001 en ontving vanaf 5 maart 2001 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Na onderzoek door een verzekeringsarts en op basis van medisch rapport van een radiodiagnost werd geconcludeerd dat appellant op 1 augustus 2001 niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), besloot daarom de Ziektewet-uitkering stop te zetten.
In eerste aanleg werd het beroep van appellant ongegrond verklaard. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn rugklachten nog niet waren afgenomen en dat hij onder behandeling was van een revalidatiearts. Hij wees ook op zijn latere uitval in een WSW-dienstverband. De Raad overwoog dat onder "zijn arbeid" de functies vallen die aan appellant waren voorgehouden bij de herziening van zijn WAO-uitkering, namelijk assemblagemedewerker, monteur en medewerker handmontage.
De Raad nam het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts over dat appellant op 1 augustus 2001 geschikt was voor deze lichte functies, mede gebaseerd op medische informatie van de radiodiagnost en huisarts. Omdat appellant geen medische stukken had overgelegd ter onderbouwing van zijn stellingen, kon het standpunt van gedaagde niet onjuist worden geacht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van verdere Ziektewet-uitkering bevestigd.