ECLI:NL:CRVB:2005:AT3931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en recht op WAO-uitkering per 10 september 1999
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om hem geen WAO-uitkering toe te kennen omdat hij per einde wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De medische rapporten van verzekeringsartsen en bezwaarverzekeringsarts geven aan dat appellant per 10 september 1999 in staat was om zijn eigen werk als buitenruimteassistent gedurende halve dagen te verrichten. Daarnaast is vastgesteld dat appellant, ondanks beperkingen, in staat is gangbare arbeid te verrichten die past bij zijn opleidingsniveau, waardoor hij een normaal inkomen kan verwerven.
De Raad oordeelt dat de beperkingen correct zijn vastgesteld en dat de geduide functies passend zijn bij het opleidingsniveau van appellant. Het feit dat appellant zijn eigen werk gedeeltelijk kan verrichten doet niet af aan het oordeel dat hij niet arbeidsongeschikt is, omdat hij daarmee niet zijn resterende verdiencapaciteit benut. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Appellant is per 10 september 1999 niet arbeidsongeschikt in de zin van de WAO en heeft geen recht op een WAO-uitkering.