ECLI:NL:CRVB:2005:AT3976
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- M.F. van Moorst
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang bij AOW-uitkeringsbesluit
Appellant ontving vanaf 1 juli 2000 een AOW-pensioen van 32% van het maximale bedrag. Na bezwaar verklaarde de Sociale verzekeringsbank dit ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, waarna appellant in hoger beroep ging.
Appellant voerde aan dat hij sinds 1982 een WAO-uitkering ontving en niet was geïnformeerd over het einde van zijn verzekering. De Sociale verzekeringsbank trok het eerdere besluit in en gaf aan nader onderzoek te verrichten naar de hoogte van de WAO-uitkering. Het nieuwe besluit van 1 december 2004, vrijwel identiek aan het ingetrokken besluit, werd ook ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat appellant geen belang heeft bij het hoger beroep omdat het nieuwe besluit het eerdere vervangt en het bezwaar niet tegemoet komt. Tevens constateerde de Raad dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid, omdat onvoldoende is aangetoond dat appellant minder dan 45% arbeidsongeschikt was in de relevante periode. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit moet nemen, waarbij appellant het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en het besluit van 1 december 2004 wordt vernietigd.